Rust

Een vat geleerdheid is nog geen druppel wijsheid waard. Pythagoras

In de trein van Steenwijk naar Zwolle zat het meisje in de gele jurk en het kortgeschoren hoofd tegenover de jongen in het zwartleren jasje.

“Hij was heel ziek,” vertelde ze, “en hij wilde dood.”

De jongen zette zijn voeten op de rand en legde zijn handen in elkaar, naast zijn heup. Hij knikte.

“Maar hij voelde zich schuldig en liet de dominee komen,” zei het meisje. “Dat was zo mooi: dat hij in al zijn strijd het geloof in Jezus niet verloren had.”

“Zeg dat wel,” zei de jongen.

“De dominee kwam,” ging het meisje verder, “en die zei – hoe zei hij dat?” Ze dacht een moment na.

Je hebt je leven gekregen van God,” herinnerde ze zich, “en nu geef je het Hem weer terug.

Ze glimlachte.

“Dat gaf hem zoveel rust,” zei ze, “toen durfde hij te sterven.”

Uit het raam zag ik dat we Staphorst passeerden.

Teleurgesteld

Diep rampzalig is degene
In wie geen chaos ooit ontstaat,
die woord, gebaar en teken haat
omdat zij zich tot duiding lenen,
en die -ervaren, kil en triest-
nooit aan een droom zichzelf verliest.
Alexander Poesjkin

“Ik moet zeggen dat we best wel teleurgesteld zijn,” zei de man met het korte baardje, “ik hoop dat je dat begrijpt.”

Hij stond op de straat, voor de deur van het verblijf voor verdoolde jongeren. De knaap tegen wie hij het zei maakte een onrustige indruk. Hij stapte van zijn ene been op het andere, waarbij hij zichzelf voortdurend aan het krabben was. Zijn ogen stonden onrustig en zijn hoofd draaide steeds van de ene naar de andere kant. Het leek er sterk op dat hij de man met het korte baardje niet had begrepen.

De politie kwam, vier man sterk, om de jongen in bedwang te nemen en ketende hem met handboeien vast aan het hek van het verblijf. De jongen trok eraan, maar kwam niet los tot de ambulance kwam om hem naar wie-weet-waar te brengen.

De man met het korte baardje ging teleurgesteld weer naar binnen.

Jansen

Je kan je nog zo tegen je vader verzetten, uit de beperkingen van je afkomst kan je niet treden. J.P. Guépin

“Eigenlijk heet ik helemaal niet zo,” zei de jongen-met-de-bijzondere-naam. Het was een naam die klonk zoals hij er uitzag: fier en driest, maar galant en lenig.

“Het is de naam van een grote koning van mijn land,” vertelde hij, “de grootste veroveraar van ver voor de tijd dat de blanken kwamen.”

“Misschien dat ik daarom nooit van hem heb gehoord,” overwoog ik. Hij glimlachte en knikte met zijn hoofd.

“Misschien,” zei hij, en, voordat het ongemakkelijk begon te worden: “Dat is eigenlijk best wel logisch ook.”

Ik voelde me ongebruikelijk ontheven van mijn koloniale erfschuld. Nou moest ik glimlachen.

“Maar hoe heet je dan wel?” wilde ik alsnog weten.

Hij noemde zijn werkelijke naam. Het was alsof hij Jansen heette.

“Ik draag mijn vaders achternaam,” legde hij uit, “die is Nederlands.”

“Potverdrie,” reageerde ik, “dat is een tegenvaller.”

Hij grijnsde.

“Och,” zei hij, “zonder hem was ik er nooit geweest.”

Concert

Liefde, zou dat zoiets zijn als het bij elkaar terugzoeken van onze moeders? Jeroen Brouwers

Het pianoconcert was al eventjes bezig, toen de man het zaaltje binnenkwam. De voorste bezoekers hadden klapstoeltjes waarop ze konden plaatsnemen, de anderen restten biertafelbanken. Omdat het een doorlopende voorstelling betrof, keek niemand op toen de man zich naar voren wurmde. Daar was nog een plaatsje vrij, schuin achter een dame die aandachtig naar de muziek aan het luisteren was.

De man ging net iets te hard op het vrije stoeltje zitten – het kraakte en schoof door de plotselinge druk enkele centimeters naar achteren, waardoor een stoelpootje in een richel schoof, waar het maar niet zomaar uit te halen was.

De dame schuin voor hem tikte de man op zijn benen en maande hem tot stilte – zonder hem aan te kijken. Hij zei niks, maar stond op en nam plaats op een bankje, even verderop.

In de pauze liepen ze naast elkaar. Het was een stel, net als ik dacht.

Ontdekking

Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg. Wayne Dyer

Het was bij de uitgang van de buurtsuper dat de twee dames elkaar hadden getroffen, de boodschappen in de tassen hangend aan het stuur van de fietsen. Ze waren in gesprek geraakt met de wielen tegen elkaar. Voorlopig leken ze nog niet te vertrekken.

“Hoe is het nu met Tim?” wilde de vrouw aan de linkerkant weten. De rechtervrouw trok een vrolijk gezicht.

“Nou, het gaat toch zĂ³ goed met hem!” zei ze met uitroeptekens, “Hij heeft zelfs weer een vriendin!” Ze leek blij dat de linkervrouw naar Tim had gevraagd. Die schoof intussen haar boodschappentassen naar het midden van het stuur.

“Een vriendin?” vroeg ze, “Ik dacht dat hij…” Ze maakte de zin niet af.

De rechtervrouw schudde haar hoofd.

“Dat was een fase,” zei ze, “hij was aan het puberen.”

De linkervrouw knikte. Ze beet op haar lip.

“Grappig,” zei ze, “dan is mijn man blijkbaar een laatbloeier.”

Zingen

Het is eigenaardig om te zien dat bijna alle mensen die iets te betekenen hebben, in hun optreden gekenmerkt worden door eenvoud en dat tegelijkertijd eenvoud bijna altijd wordt opgevat als een bewijs van onbetekenendheid. Giacomo Leopardi

“Ik werk twee keer in de week aan de balie,” vertelde de broer, “ik had ook in de keuken mogen werken, maar aan de balie is het leuker.”

Hij zat in een witte tuinstoel. Met zijn handen hield hij zijn onderbenen aan de knieën vast. Terwijl hij sprak keek hij steevast als een circusdier in verslagen berusting.

“Op de woensdag fitness ik,” zei hij, “op mijn werk kreeg ik er een pasje voor.”

“Hij is te dik,” zei zijn moeder, “toen hij naar het ziekenhuis moest omdat hij zijn medicijnen niet had geslikt, vonden we allemaal lege chipszakken.”

De broer leek het niet te horen. Hij wachtte tot ze klaar was.

“Ze vroegen laatst of ik ging zingen in het koor,” zei hij.

Op dat moment ging zijn hoofd omhoog en begonnen zijn ogen kort te glinsteren. Meteen doofde alles weer.

“Maar ik wil niet op het podium,” zei hij.

Bolletjes

Een bol is een kubus zonder hoeken. Willem van Os

Het stuur draaide met hem mee, telkens als de man die voor me fietste het pedaal intrapte. Ik kwam er met geen mogelijkheid langs, maar het was warm en ik had geeneens zin me te haasten. Dus bleef ik maar achter hem rijden.

Bij de stationstunnel was een andere man. Hij zat gehurkt om iets wat gebroken leek van de stenen af te rapen. De man voor me stopte, zoals ik had verwacht: hij liet zijn benen van de fiets afglijden en ving zichzelf op aan het stuur. Voorover geleund beschouwde hij de raper. Hij kende hem, leek het.

“HĂ© broer, hoe gaat het?” begon hij. De raper reageerde niet. De man op de fiets grinnikte ineens.

“Heb je soms je bolletjes laten vallen?” riep hij. De raper keek op.

“Jij schobbejak!” schold hij.

De fietser lachte hard en maakte dat hij wegkwam. Ineens kon hij wel snel en recht.

Reuk

De reuk is een parater gids naar het verleden dan de smaak. A.F.Th. van der Heijden

Twee ambulancebroeders stapten met me in de lift – ze moesten naar boven, waar een bezoekster onwel was geworden. De man tegenover mij was kalend. Hij wreef met een vinger onder zijn neus.

“Ik ruik curry,” zei hij, “Curry-ketchup.”

De man naast me droeg een apparaat in blauw-gele kleuren.

“Het zal de tosti wel zijn, die je net gegeten hebt,” vermoedde hij.

De kalende man knikte, terwijl hij door bleef ruiken.

“Dat zou wel eens kunnen kloppen,” bedacht hij, “ik heb net een tosti gehad.”

“Met ketchup.” zei de man met het blauw-gele apparaat.

“Curry-ketchup,” verbeterde de kalende man.

“Ik ruik alleen medicijnen,” bemoeide ik me ermee. De beide mannen keken me verbaasd aan.

“Medicijnen?” vroeg de kalende man. Hij rook nog eens aan zijn vinger. “Ik ruik geen medicijnen. Alleen curry-ketchup.”

“Dan moet je wel een verdomd goede reuk hebben,” constateerde de man met het blauw-gele apparaat.

Ze knikten allebei.

Melk

Waarheid en schoonheid ontmoeten elkaar soms op afgelegen plaatsen. Arnon Grunberg

Hij kwam met een vermoeid gezicht aan de bar staan.

“Het was me het dagje wel,” zei hij. De man naast hem draaide de opdruk op zijn glas naar zich toe.

“Zo,” zei hij.

“Het gaat nu snel achteruit met haar,” vervolgde de eerste man. Met een handgebaar bestelde hij een biertje. “Ik ben de hele dag bij haar geweest.” De barman zette een glas voor hem neer. “Ze wilde alleen maar melk. Koude melk.”

“Melk?” vroeg de andere man, “Hoezo melk?”

“Dat heb ik vaker meegemaakt,” zei de eerste weer, “aan het einde willen ze allemaal melk drinken. Koude melk.”

“Wat apart,” zei de ander, “daar heb ik nog nooit van gehoord.”

De eerste tuurde naar zijn glas. Langzaam knikte hij.

“We gaan zoals we komen, denk ik,” zei hij dan. Hij pakte het glas op en keek naar het schuim.

“We beginnen en eindigen met melk,” zei hij.

Zwartman

Het plafond van de een is de vloer van de ander. David Levine

De kapper legde zijn schaar neer toen de leerling smaalde over de vrijheid in het land.

“Ga je mond spoelen!” zei hij, “Het is nergens zo goed als in Nederland. Zolang er maar niet kwaad gesproken wordt, achter de rug. Voor mij maakt het niet uit wat je bent: Nederlander, buitenlander, homo, moslim, jehoedie. Iedereen is gelijk.”

Hij pakte de schaar weer op. De leerling had intussen de bezem gepakt.

“Nederlanders praten niet achter de rug,” zei hij, “buitenlanders wel. Zoals die oude baas van me. Hij heeft er nu een zwartman werken, maar die kan niet knippen. Nou is hij boos op mij dat ik ben weggegaan. Hij is ziek in zijn hoofd.”

“Hij is jaloers,” zei de leerling. De kapper zwaaide met de schaar.

“Hij is ziek!” herhaalde hij. “En jaloers.”

Hij schudde zijn hoofd.

“Waarom neemt hij een zwartman aan?” vroeg hij, “Die kunnen helemaal niet knippen.”