Kastanjes

’t Zal wel voorbijgaan met te passeren. Pieter Daens

Er waren kinderen die kastanjes raapten tussen de monumenten in het park. Een man met een bontgekleurd hemd vanonder zijn herfstjas hielp ze met zoeken.

Inscripties vermeldden de gesneuvelden van de oorlogen in de Oost. Soldaten die waren heengezonden en vrouwen en jongens die naar kampen waren gestuurd en nooit meer teruggekeerd. Sommige plaquettes vermeldden de namen van de slachtoffers, op anderen stond slechts een gebeurtenis genoemd. Ik zocht tussen de verwijzingen op de stenen in het park een gekerfde herinnering aan de man die mij mijn naam had gegeven. De kinderen verzamelden intussen meer kastanjes. De man met het bontgekleurde hemd had zijn jas uitgedaan.

Even verderop stond, wat achteraf, een betonnen zuiltje dat ik nog niet daarvoor had gezien. Er was een plaatje aan de schuine kant van de top geschroefd. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat het een gaspaaltje was.

Aan de voet lag een kastanje.

Standaard

Aanraken

In de regel houden mensen van elkaar – op afstand. Sholom Aleichem

Ik zag dat ze anders liepen, de jongens die door het park gingen, maar ik denk niet dat iemand anders dat zo gezien zou hebben. Ik denk ook niet dat dat de bedoeling zou zijn geweest, dat iemand anders het zou kunnen vermoeden.

Ze liepen naast elkaar, de beide jongens in het park, en zo liepen ze langs menig bankje met mensen daarop die van de zon genoten of die gewoon even wilden uitrusten. Ze hadden boodschappen gedaan, de twee jongens die in het park langs de bankjes liepen, boodschappen bij de Action. Ze droegen tassen van de Action in hun handen, aan weerszijden, dat zag ik.

Er staken spullen voor het huis uit de tassen van de Action, die de jongens aan weerszijden van hun pad droegen.

Af en toe gaf het ze de kans om met de vingers elkaar voorzichtig aan te raken.

Maar dat zag ik alleen.

Standaard

Doggybag

Wie wijn drinkt, moet ook de droesem nemen. Aristophanes

“Het moet ergens toch wel prachtig zijn, wanneer je zo dicht bij je emoties zit als dat soort mensen,” vond de dame terwijl ze haar glas witte wijn neerzette. Voor haar stond een onaangeroerd bord met quinoa en gerookte makreel. Haar tafelgenote knikte.

“Ik weet echt niet wat ik zou doen,” peinsde die, “weet jij wat je zou doen?”

“Wanneer mijn man zou overlijden?” vroeg de eerste, “Gunst nee, ik zou het niet weten.”

Ze prikte in de makreel.

“Ik zou heus wel verdriet hebben ergens,” zei ze, “natuurlijk wel. Ik ben geen onmens.” Ze lachte haar hoofd achterover.

“Natuurlijk niet,” zei de tafelgenote, “maar zo publiekelijk. Nee.”

“Bah nee,” zei de dame. Ze dronk haar glas leeg. “Zo ordinair.”

Ze sommeerde de bediening.

“Mogen we de rekening?” vroeg ze, “En een doggybag.”

“Ik betaal.” zei de tafelgenote.

“O ja?” zei de dame, “Zullen we er dan nog eentje doen?”

Standaard

Zwarter

Morele verontwaardiging is jaloezie met een hoge hoed op. H.G. Wells

Hij stond er de boel in de gaten te houden – omdat dat was wat hij moest doen. Ik stond er een beetje bij, alsof ik nog jong genoeg was om te hangen.

Er gebeurde niet veel, bij de bewaker, in elk geval niks dat tot gewapende actie moest leiden.

“Ik heb geen pistool,” had hij me al verteld, maar ik vermoedde dat hij dat uit veiligheidsoverwegingen moest zeggen. Ik had maar zo’n beetje geknikt.

“Mm-mm,” zei ik, “natuurlijk.”

Hij schudde alleen zijn hoofd.

Anders werd het toen een slungelige jongen voorbijkwam.

“Hé!” riep hij. De jongen bleef staan. “Ben jij op vakantie geweest, jongen?”

De jongen keek verrast.

“Hoezo?” vroeg hij.

“Je bent zo bruin!” schaterde de bewaker. De jongen klaarde op.

“Je bent zelf ook zwart,” voegde hij de man toe.

“Maar jij bent veel zwarter!” riep ik. Twee paar ogen draaiden bruusk mijn kant op.

“Sorry,” bloosde ik.

Standaard

Schoen

Het leven is een weg omhoog, de stof is een weg naar beneden. Henri-Louis Bergson

Hij trok een broekspijp omhoog.

“Wat vind je hiervan?” zei hij. Ik zag een zwarte wandelschoen met rode veters.

“Zo!” zei ik. Hij knikte grijnzend.

“Ja,” zei hij, “zeker Zo.”

Hij wees op een wit hoekje aan de voorkant van de schoen.

“Dat is design,” wist hij me te vertellen.

Hij draaide zijn voet.

“Ik heb hem net op de fiets uitgeprobeerd,” zei hij.

“Op de fiets?” vroeg ik, “Het zijn toch wandelschoenen?”

Hij lachte weer.

“Ik heb loeihard gereden en toen de neuzen over de grond laten slepen,” zei hij, “kijk!” Hij liet me de punt zien. “Nauwelijks beschadigd.”

Hij zette zijn voet weer neer.

“Gaaf,” zei ik, “waar heb je ze vandaan?”

Hij noemde de naam van een campingwinkel.

“Daar weten ze wel van wanten,” zei hij.

“En van schoenen,” zei ik. Ik verwachtte een bulderlach. Of dan toch misschien een laf gegrinik.

Maar hij begreep me niet.

Standaard

Vastgelegd

Geluk is pas zichtbaar, als het voorbij is. Godfried Bomans

Het was een mooie foto, van een lief tafereel, maar toch verontrustte het hem.

Hij stond er zelf op, als kind, met een kraaiend gezicht en waaiende krullen. Daarachter zijn ouders, die nog een stuk jonger waren toen en samen een grote tevredenheid uitstraalden. Ze proostten met hun rosé, terwijl hij op de camera kwam toegelopen – of gewaggeld, waarschijnlijk, gezien zijn leeftijd daar.

Hij had de foto eerder gezien en nooit helemaal begrepen wat er mis mee zou zijn: al wat je zag was een jong gezinnetje, gelukkig en gezegend.

Er was ook niks mis aan zijn ouders: ze waren liefdevol naar hem. Het waren zijn echte ouders, wat hem betrof.

Hij keek nog eens naar het plaatje. Hij was een mooi kind, als kind. Knap en leuk om mee gezien te worden.

Een nooit gestelde vraag kwam bovendrijven. Hadden ze hem daarom geadopteerd?

Morgen zou hij het ze vragen.

Standaard

Gelukszoeker

Het geluk lacht hen toe die het niet achterna zitten. Abi-Taleb

Het was zomer, het was zondag. De mensen waren in het park.

De moeder zat op een kleedje en praatte met een vriendin. Haar zoon was even verderop. Hij kroop op handen en voeten door het gras. Het was alsof hij iets had verloren, zo speurden zijn ogen over het veld. Steeds wanneer een sector was afgezocht, schuifelde hij naar voren om verder te zoeken.

Op een gegeven moment had de jongen iets gevonden: hij richtte zich op, boog weer voorover en keek opnieuw, voordat hij tussen de sprieten zijn ontdekking plukte. Dan ging hij staan en rende naar zijn moeder – die intussen gewoon met haar vriendin was blijven doorpraten.

Ze keek pas op toen de jongen haar rugzak pakte.

“Wat doe je, lieverd?” vroeg ze. De jongen liet haar een klavertje vier zien.

“Dan heb jij ook eens geluk, mam,” zei hij voor hij het in haar tas stopte.

Standaard

Muggen

Drie kwart van de mensen is gek en voor dat ene kwart moet je uitkijken. Simon Carmiggelt

“Ze bijten niet, ze steken,” zei de man op het bankje in het park, “en daarna zuigen ze het bloed uit je.”

De man naast hem haalde zijn schouders op.

“Bijten, steken, zuigen,” deed hij, “die krengen prikken me helemaal lek.” Hij wreef over zijn kuiten. “Het zijn d’r veel meer dan andere jaren, geloof me.”

De eerste man keek naar de lucht.

“Het is ook zo vochtig, de laatste tijd,” meende hij.

“Maar niet koud,” vond de andere.

Hij wreef op zijn onderarm.

“Hier ook,” zei hij, “die beesten komen overal.”

De eerste man bekeek de handelingen.

“Ze zoemen ook niet meer,” stelde hij, “vroeger zoemden ze de hele tijd.”

“Gelukkig. Daar werd ik stapelgek van,” zei de ander.

Hij hield op met wrijven.

“Zouden het eigenlijk wel muggen zijn?” vroeg hij.

De eerste man stond op.

“Dat, of je vrouw heeft een minnaar,” zei hij voor hij wegliep.

Standaard

Final destination

Elk ding heeft zijn uiteindelijke bestemming en ligt niet stil voor het die bereikt heeft. Aristoteles

Het was een kort traject voor mij, maar voor een vreemdeling het begin van een doolhof.

Een Aziatische man ijlde de trein in, waar ik net een plaats had bezet.

“Forgive me, Sir,” begon hij. Hoewel hij een gehaaste indruk maakte, zocht hij toch de ruimte voor welgemanierdheid. Een kostbaar en te koesteren karaktertrek, dacht ik. Ik knikte voorkomend. De man boog zijn hoofd voordat hij verder ging.

“Will the final destination be Arnhem?” vroeg hij. Ik knikte.

“Yes Sir,” antwoordde ik, “Arnhem will be your final destination.”

Terwijl ik het zei, proefde ik de onheilspellende uitwerking van mijn formulering. De Aziatische man zei echter niks, bedankte me hoofdbuigend en vond een zitplaats even verderop.

Aan het einde van de rit, bij het verlaten van de trein, zeeg de man ineen op het perron. Ik schrok, wilde hem helpen, maar andere omstanders waren me voor.

“Final destination,” dacht ik huiverend.

Standaard

Steekt

Voor mij geen honing
als die vergezeld is
van een bij. Sappho van Lesbos

De man wees naar de bloemen in het gras.

“Kijk eens wat een hoop bijen,” zei hij tegen zijn vrouw.

“Ik heb een haat-liefdeverhouding met ze,” verklaarde die. Ze opende haar tas en haalde er een klein foedraal uit.

“Ik ben overgevoelig voor bijensteken,” legde ze uit, “Hier zit een adrenalinespuit in. Als ik gestoken word, moet ik mezelf meteen injecteren.”

“Best lastig voor een imker,” grijnsde de man. De vrouw knikte.

“Dat ging dus ook echt niet meer,” zei ze.

Dan stak de wind op, waardoor de halmen gingen dansen. De takken en bladeren van de omzomende bomen ruisten. Vooreerst leek het de bijen niet te deren – dan, na een tijd deinen, besloten ze toch een ander omkomen te zoeken. Eén voor één verdwenen ze uit zicht naar plaatsen waar niemand weet van had. De man legde een hand op die van zijn vrouw.

“Het is voorbij,” verzuchtte ze.

Standaard