Doorgaan

It becomes a part of you, like learning to wear a ring or a pair of eyeglasses. You get used to it. And that’s good. It’s good, because it makes sure you don’t forget. You don’t want to forget him, do you? Harvey Fierstein

Hoe lang moet je rouwen?

‘Je moet eerst alles fases door,’ zei de huisarts die ervoor geleerd had.
‘Laat me je testen hoe het met je gaat,’ zei de internetpagina.
‘Het is cultureel bepaald,’ zei de hulpverlener.
‘Veertig dagen,’ zeiden de religieuzen die het weten konden.
‘Maanden tot jaren,’ las ik in de zelfhulpboeken.

Hoe lang moet je rouwen?

Ik vroeg het Heso, tenslotte – want om hem ging het, maar hij antwoordde niet. Ik vroeg het nog eens, maar hij bleef stil. Blijkbaar vond hij het niet belangrijk genoeg. Ik wist voldoende.

“Hoe gaat het nu met je?” vroeg de Krijgerszoon die ook bij de begrafenis was geweest. Ik knikte.

“Beter,” zei ik, terwijl ik een glimlach voelde komen, “beter dan hiervoor.”

Ik reikte hem mijn hand.

“We hoeven niet te huilen van hem,” zei ik.

“Zo is dat,” lachte de Krijgerszoon. Dan liep hij weg, het nieuwe hoofdstuk in.

Standaard

Gevlucht

Een vriend is iemand die ons de weg wijst en een eindje met ons mee loopt. Francesco Alberoni. Foto: Rick Kewal

Elke schep aarde die op de kist viel vertelde me dat we hem nooit meer zouden zien. Het was een waarheid die ik wist en niet per se nog eens hoefde te horen.

Het was koud en ik wilde weg. Ik vertrek graag wanneer het onaangenaam wordt of ondraaglijk. Toch bleef ik.

De kuil werd gevuld, tot er een hoopje zand bovenuit stak. Dit was nu zijn stukje wereld geworden.

We legden er bloemen neer. Het was een laf gebaar omdat ik niet dapper genoeg was mijn mond te openen toen erom gevraagd werd. Maar dan, wat had mijn protest nu gebaat? Mijn vriend was dood en diep onder de grond begraven. Hij zou er niet door terugkeren.

Toen we wegliepen van zijn wereld herdacht ik mijn stilte en de redenen die ik mezelf had aangepraat.

Godverdomme, dacht ik en vervloekte mijn tranen, wie van ons is nu de vluchteling?

Standaard

The Upside Down

We know that we exist, and that’s a fact, but this fact is not logical. Heso Fatoum. Foto: Heso Fatoum

Het was zijn hart geweest, zeiden ze, dat niet meer verder wilde. Ik vroeg het enkele keren om er zeker van te zijn. Steeds kreeg ik hetzelfde antwoord: Heso was dood. Ik kon het beter zo horen dan via internet, zeiden ze. Alsof ik het nu wel kon geloven.

Zinloos stuurde ik hem berichten. Niemand reageerde.

Mijn laatste boodschap had hij niet meer gelezen, zag ik. Alsof hij er toen al niet meer was. Alsof ík er toen al niet meer was. Ik had het er maar bij laten zitten. Ik zou hem vast wel weer een keer spreken. Dan zou ik zijn kleine, magere lijf omhelzen en zouden we weer lachen en huilen en eten en drinken.

Dacht ik.

Er zou een uitvaart komen, zeiden ze, en ze hadden mij er graag bij.

Ik beloofde het. Al was het maar om er dit keer wel voor hem te zijn.

Standaard

Bruidsspoor

Geluk in het huwelijk is louter een kwestie van geluk. Jane Austen

Ze zou vrolijker moeten lijken, overwoog ik, terwijl ik keek naar de jonge vrouw, schuin tegenover me aan de andere kant van het gangpad in de wagon.

Aan haar arm hing een draagtas van een trouwjurkenwinkel.

Ze had die meegekregen, zo vermoedde ik, omdat ze er een japon had uitgezocht voor wat de heuglijkste dag van haar leven moest worden.

Moest.

De jonge vrouw keek bedrukt, al had ze oordopjes in waaruit wellicht haar lievelingsmuziek stroomde.

Ook dat was een aanname.

Uit een andere tas diepte ze een doosje met pastilles op. Ze drukte er eentje uit de strip en stak die in haar mond. Al zuigende keek ze naar het voorbijglijdende landschap. Ik zag nu alleen nog een vage reflectie van haar gezicht.

Misschien moest ik haar troosten, dacht ik, vertellen dat het allemaal goed zou komen. Maar tot de eindhalte bleef ik stil zitten.

En keek naar haar.

Standaard

Huiswaarts

De mensen hebben slechts weinig begrip van wat eenzaamheid is, en hoeverre deze zich uitstrekt. Want een menigte is geen gezelschap; en gezichten zijn slechts een galerij schilderijen; en een gesprek is slechts een rinkelend cimbaal, waar de liefde ontbreekt. Francis Bacon

Het licht in de nacht is vaak geel, dacht ik, terwijl de straatlantarens voorbijscheerden.

“Hij had me nog een mailtje gestuurd,” zei de chauffeur, “Ik had het wel gecheckt, die ochtend, maar ik had haast en zou het ’s avonds wel bekijken.”

Het asfalt voor ons was duister. De markeringsstrepen gleden onder ons langs. Onduidelijke muziek kwam uit de radio.

Het geluid in de nacht is vaak gesmoord, dacht ik.

“Een uur later had hij zich voor de trein gegooid,” zei hij, “maar dat hoorde ik pas toen ik thuiskwam.”

Hij klemde zijn vuisten om het stuur. Hij haalde zijn neus op en drukte op het gaspedaal, maar hield zich in.

“Als ik zijn bericht gelezen had, in de morgen, had ik hem nog kunnen tegenhouden,” zei hij.

We zwegen allebei. We waren nog een klein uur van huis af.

De tranen in de nacht zijn vaak eenzaam, dacht ik.

Standaard

Ik leef

Het kwade is slechts de andere kant van het goede. Johann Wolfgang von Goethe

“We zijn allemaal god, bezig om onszelf te verheffen,” zei hij. Ik kon niet helpen dat ik bij zijn aanblik ging twijfelen. Ik bedoel, geen kwaad woord over lelijke mensen, maar in hem kon ik met geen mogelijkheid het opperwezen herkennen – zo weerzinwekkend kon de schepping nooit bedoeld zijn.

Ik glimlachte desalniettemin en veinsde interesse door ‘Zo’ te uiten. Dat had ik beter kunnen laten. Het was het teken voor hem om zijn verhandeling nu pas echt te starten. Gedurende zijn monoloog bleef mijn gezicht bevroren terwijl ik keek naar zijn glimmende en pokdalige huid, zijn sliertige haar en zijn uitgeslagen tanden. O hemel, ik zag iets glinsteren in zijn ene neusgat. Snel richtte ik me op zijn waterige ogen en probeerde ik zijn woorden te horen.

Op de juiste momenten – zo hield ik mezelf tenminste voor – toonde ik mijn empathie door een instemmend knikje in de hoop dat de hel voorbij zou gaan.

Waarachtig, dat was het: waar hij over de almachtige sprak was hij zelf de droes, dat moest hij wel zijn, voor de drommel! Ik voelde mijn ogen toeknijpen en mijn mondhoeken rijzen.

Terwijl hij verder ging over groei en welzijn van het geheel door het individu, daagde het me dat het maar net de vraag was naar wie hij had gehoord en uit wiens mond hij sprak. Wat als het kwade zich maskeerde als het goede? Het ware diens grootste list geweest.

Hij zweeg ineens en keek me aan – verwachtingsvol, vermoedde ik. Ik moest nu iets zeggen om geen argwaan te wekken. Daar ging al een wenkbrauw ietwat omhoog.

“Met zwijgen kruist men de duivel,” ontviel mij. Mijn adem stokte terstond – wat had ik gedacht? Zijn haarboog steeg nog hoger. Dan ontspande hij. Zijn tong bevochtigde zijn lippen.

“Bij sommige mensen heeft god liever dat ze twijfelen dan dat ze geloven,” reageerde hij. Dan sperde hij zijn ogen, waarin ik – kortstondig slechts – een zweem van een groene glinstering dacht te zien.

Hij stond op om weg te gaan. Daarbij drukte hij mijn hand, niet te hard, niet te slap. Hij was niet warm, noch koud of op enige andere wijze bijzonder. Het was gewoon een hand.

Pas toen hij uit het zicht verdwenen was dorst ik weer te ademen, meende ik. Nu voelde ik ook mijn hart weer bonzen.

Ik leef, dacht ik, huiverend.

Standaard

Gaandeweg

Ware er, in het gemeen, geen andere keus als tussen rechtzinnig en lichtzinnig, ik zou liever om mijn orthodoxie voor ouderwets doorgaan, dan om mijn liberalisme ingehaald worden door lieden van verdachte ernst. Conrad Busken Huet

Ze had het misschien zwaar of ze miste mogelijk de energie of wellicht was ze ziek, de vrouw die voor me fietste. Ze trapte met zichtbare moeite de trappers naar beneden en zwoegde daarbij haar bovenlichaam van de ene naar de andere kant van haar zwaartepunt – en dat alles in een zeer traag tempo. Nog langzamer, zo hoorde ik vroeger, en je valt om.

Ik fietste haar voorbij.

Het was onvermijdelijk, maar misschien gebeurde het wel te snel – niet voor haar, ze had er vast wel meer zien passeren, maar eerder voor mij. Het was alsof ik onvoldoende aandacht had besteed aan haar blijkbaar zorgelijk bestaan. Ik minderde vaart en keek om.

Ze zag mijn blik en ik zag haar ogen, half geloken in een hoofd dat ternauwernood de zwaartekracht kon weerstaan. Ze knikte me toe, vriendelijk maar pompaf. De dagen waren haar ronduit te zwaar.

Tevreden reed ik verder.

Standaard