Blauw licht

Een ideaal is een blauwdruk van een mislukking. Theo Mestrum

Wat de…, dacht ik, toen ik het blauwe licht voorbij zag komen. In het vormen van mijn gedachten ben ik heel wat minder eloquent dan wanneer ik ze verwoord.

De straal leek van een gestaag van rechts naar links passerende trein naar de hemel te worden uitgezonden, slechts tegengehouden door het wolkendek dat zich aan het zwerk had vastgelegd.

Wat kan dat…, kwam daarna – niet veel woordenrijker.

Mogelijkheden als een discotrein of boodschap voor een buitenaardse beschaving verwierp ik vrij snel, nu de horeca alhier zowat bezweken is en er steeds minder bewijs is voor het bestaan van intelligent leven waar dan ook.

De trein keerde terug: nu van links naar rechts, in hetzelfde kalme tempo, met een bundel van ultramarijn gericht naar de oneindigheid.

Ik kan dit vast zoeken en vinden, dacht ik, nu voor het eerst in een hele zin, maar wat wilde ik eigenlijk met een verklaring?

Standaard

Aanname

De mensen zijn als de elektriciteit – zij nemen de weg van de minste weerstand. Wilbur Leroy Meier

Toen hij zijn naam zei, wist ik eigenlijk al genoeg.

Het begon natuurlijk al verkeerd doordat hij tijdens een goed gesprek belde. Desondanks beantwoordde ik de telefoon, waarop hij me ietwat te uitvoerig begroette.

“Kom ter zake,” zei ik – want ik begreep al waar het heen ging.

Daarop vertelde hij dat hij Rogier heette en wilde praten over een nutsbedrijf.

Rogier? Werkelijk?

Die naam suggereerde op zijn minst een managementsfunctie bij een stroomleverancier danwel een plaats in de Raad van Bestuur ervan. Een Rogier die me elektriciteit wilde verkopen zou me werkelijk van alles kunnen aansmeren, om uiteindelijk die voorbestemde maatschappelijke ladder maar te kunnen beklimmen.

“Ik ben al voorzien,” zei ik. Daarop verbrak ik de verbinding.

Onmiddellijk klopte schuldgevoel aan de deur.

Een gesprek beëindigen puur vanwege de voornaam van de gesprekspartner was wel erg kortzichtig, moest ik erkennen.

Goddank werd die avond het eten bezorgd door ene Simon.

Standaard

Onzinnig

Ik geloof alleen in een zekerheid die elke ochtend met twijfels ontbijt. Eduardo Galeano

“Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om te gaan,” zei ik.

“Dan blijf je thuis,” antwoordde Lief.

“Dat kan niet,” zei ik, “ik heb een afspraak.”

“Dan moet je gaan,” zei hij. Zo schoot het natuurlijk niet op.

Ik keek naar buiten – het was er grijs en nat en de dag beloofde binnen meer warmte dan buiten. Mijn geteem was eerder geplogenheid dan werkelijk nijpend, dat wist ik wel, maar desalniettemin had ik een andere respons van Lief gedacht – als er al een had mogen bestaan.

“Gisteren had ik me nog eens kunnen omdraaien nadat de wekker was gegaan, maar ben ik toch opgestaan,” palaverde ik door. Het wekte een grimlach op bij Lief.

“En vandaag ben je uit bed gekomen terwijl je had willen blijven liggen,” zei hij, “wat een vreselijk leven heb je toch.”

Dat was precies wat ik meende op dat moment, maar ik zei beter niks.

Standaard

Afslag

Het metaal is de spiegel van het gelaat, de wijn van de geest. Aeschylus

Ze hadden allebei een regenscherm bij zich, de twee middelbare dames die kwamen aangestruind. De ene, met een mondkapje op haar kin, hield een opvouwbare vast, de andere, onbedekt, een gangbare die ze gelijk als wandelstok hanteerde.

Het regende immers niet.

Ze waren gekleed op een fikse tocht, zo gestoken in jagersjassen en met stevige schoenen aan de voeten. De proviand, vermoedde ik, hadden ze opgeslagen in de omgegorde rugzakjes. Ze zouden wellicht naar de bossen gaan, niet ver van daar, gezien hun tred en uitrusting.

Bij het kruispunt hielden ze halt om de kaart te bekijken die de wandelstokdame had uitgelegd. Gekromde vingers kropen langs de lijnen.

“Waar is de supermarkt?” vroeg de opvouwbare. De wandelstok wees naar rechts.

“Mooi,” zei de opvouwbare, “dan gaan we die kant op.”

De kaart werd weggestopt en de dames verwijderden zich vastberaden.

“Ik hoop wel dat ze een slijterij hebben,” hoorde ik.

Standaard

Vooraan

Het leven is een ongeneeslijke ziekte. Abraham Cowley

Hij keek mies. Bij navraag bleek dat te kloppen.

“Weet u wat het is, meneer?” vroeg hij verwachtingsloos, “ik sta plots vooraan in de rij.”

Iets terminaals kruiste mijn gedachten, maar het tegendeel bleek waar.

“Nou zijn er ineens vaccins,” zei hij, “wat zeg ik? Er zijn er al drie. En omdat er niet meteen genoeg is voor iedereen gaan de ergste gevallen voor. Zoals ondergetekende.” Het klonk allemaal tamelijk bitter.

“Ach, ik ben niet bang voor wat bijwerkingen,” ging hij verder, “daarvoor heb ik mijn leven lang al teveel gerookt, gedronken en allerlei onbekende chemicaliën in mijn lichaam gestopt.” Hij grijnsde alsnog.

“Maar weet u wat het is?” probeerde hij andermaal, “ik ben niet ziek, nooit geweest ook. En dan voelt het toch raar om zomaar iets te laten inspuiten. Begrijpt u dat?”

Hij schudde zijn hoofd.

“En dan sta ik ook nogeens vooraan in de rij,” zei hij.

Standaard

BBR

Er is méér nodig om een goede maaltijd te koken dan ingrediënten en wat ervaring. Een goeie kok legt iets van hemzelf in de bereiding. Pearl Bailey

Lief maakte bruine bonen met rijst.

“Kwiekwie,” zei hij, terwijl hij de kip waste, “dat maakte mijn oma zo ontzettend lekker. En roti. En vissenkoppen. Met mango.”

Dat laatste haastte hij omdat hij mijn gezicht had gezien.

“Hete bliksem,” zei ik – want daar dacht ik ineens aan, “zoals mijn moeder die altijd maakte. Ik heb nog steeds spijt dat ik daar het recept niet van heb.”

“Dat heb ik dus met tomaten en ei,” greep Lief aan, “wat mijn oma daar precies in deed…”

Hij trok zijn wenkbrauwen op.

“Sommige dingen zullen we nooit helemaal weten,” zei hij.

“Helaas,” zei ik. Ik zuchtte. “Ik had vaker met haar in de keuken moeten staan,” bedacht ik.

“Nou, dit is je kans,” nodigde Lief uit, “blijf bij mij en kijk hoe ik de BBR maak. Wie weet leer je er nog wat van.”

Ik kwam naast hem staan.

“Wie weet,” zei ik.

Standaard

Vraaggesprek

Wij zijn allang door beeldspraak afgestompt. Wij laten ons inpakken door gemeenplaatsen, die het aanstootgevende van de werkelijkheid verbloemen: wie dan leeft, die dan zorgt en jeugd is geen kwestie van jaren. Wim Zaal

Ik dorst de vraag bijkans niet te stellen. Dus aarzelde ik – zozeer, dat hij het niet langer kon velen en me ernaar vroeg.

“Nou,” begon ik, waarbij de aanvankelijke wankeling bewaard werd, om gestaag te versnellen in begeestering, “stel nou dat het werkt,” zei ik, “dat de vaccinaties werken en de wereld over, zeg, pakweg een half jaar, terug ontgrendeld kan geraken, wat moeten die mensen dan die nu schreeuwen dat ons land een politiestaat is geworden en fascistisch en zowat erger dan ten tijde van de bezetting? Zouden die dan durven toegeven dat ze enkel oproerkraaiers hebben nagepapegaaid?”

Hij keek me gepijnigd aan.

“Ik moet er echt niet aan denken,” zei hij.

“Niet?” reageerde ik verbaasd.

“Integendeel,” zei hij, “wat mij betreft mag de anderhalve meter-regel voor die mensen zelfs worden uitgebreid.”

Het was maar een onschuldig grapje, meende ik, dus lachte ik erom. Toch moest ik even nadenken.

Standaard

Tegemoetkomen

De meeste schrijvers hebben geen bruisend sociaal leven, en àls ze het hebben zijn hun boeken meestal niet zo bruisend. Colin Dexter

Zij kwam van die kant en ik van deze. Ze was niet alleen: er liep een jongen naast haar, maar zij was het die de aandacht trok. Haar houding, denk ik, of de manier waarop ze liep.

Afijn, ik fietste haar tegemoet en ik zag hoe ze haar hand omhoog ging steken.

“Hoi,” zei ik dus maar alvast.

Ze keek verbaasd, terwijl haar hand de rest van de beweging door haar haar afmaakte.

“Kennen wij elkaar?” had ze kunnen zeggen – ik had tenminste verwacht dat ze dat had gedaan – maar ze zei het niet.

Zodat ik ook niet hoefde te liegen dat ze op iemand leek en dat ik dan met een hoofd als een vleestomaat, gebogen tussen mijn knieën, verder was getrapt, tot ik thuiskwam en me daar had kunnen verbergen.

Goddank zei ze dat niet – ze keek alleen. Maar een blik alleen wist ik nog wel te beantwoorden.

Standaard

Afstandsbediening

Technologie is de kunst om de wereld zo te regelen dat we ze niet meer moeten ervaren. Max Frisch

Er werd gegymnastiekt op de televisie.

Lenie haalde koekjes en koffiemelk uit de koelkast.

“Er zijn nog speculaasjes in de trommel,” riep ik over het geluid van de tv heen. Ze hoorde het niet en haalde ook krentenbrood tevoorschijn.

“Wil je soms wat?” vroeg ze, “Het is lekker, hoor.”

“Dankuwel,” riep ik, “ik neem wel een speculaasje.”

Lenie liep weer terug naar haar stoel.

“Pak maar wat melk,” zei ze.

Ik opende een cupje en schonk het in haar mok.

“Normaal zie ik u nooit koffiemelk gebruiken,” riep ik.

“Dat neem ik altoos,” reageerde ze, “Hoef jij niks?”

Ik schudde mijn hoofd.

“De koffie is goed zo,” riep ik. Ik nam het deksel van de koektrommel en haalde er twee speculaasjes uit. Eentje legde ik op het schoteltje van Lenie.

Mijn blik dwaalde af naar de televisie. Lenie zag dat ik keek.

“Foei, wat staat dat ding hard,” zei ze.

Standaard

Perspectief

Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten, maar ik moet er iets bij te drinken hebben. Willem Kloos

“Je ziet het museum vanaf hier.”

We waren van plaats gewisseld. Je kunt nog zo voornemens zijn geen gewoontes in een relatie te laten slijten, op den duur – zo merkten wij althans – lijkt dat onvermijdelijk. De één kookt, de ander wast en geen van beiden ruimt op.

En zo hebben we ook elk onze eigen zitplaats.

“Wanneer jij niet thuis bent, ga ik soms op jouw plek zitten,” zei Lief.

“Ik ook,” keek ik verrast.

“Dan blikt het toch anders.”

We moesten allebei glimlachen om deze wederzijdse aveu. Het was een buitengewone waarneming, als keken we door malkaars ogen. De wereld, zo vertrouwd en gekend, veranderde, simpelweg door van zitplaats te wisselen.

Het voelde als iets speciaals, een traktatie welhaast, dus mocht het ook niet duren.

“Dit moet ongeregeld blijven,” verstonden we instemmend, “om bijzonder te blijven.”

Als de ene weg is, bijvoorbeeld, om als de ander te kunnen zien.

Standaard