Bloed

Foto: Rick Kewal Gademann
Niets is ooit zonder bloed geboren. Herwig Hensen

De prikpost was helemaal aangepast aan de maatregelen. Elke bezoeker kreeg een vers mondkapje en de onderlinge afstand was tenminste anderhalve meter. Tussen de stoelen in de wachtruimte waren manshoge spatschermen geplaatst. Pijlen op de vloer wezen de te nemen route. Maar verder was de stemming er als vanouds.

Hoe zou dat zijn, dacht ik toen een bloedman de volgende opriep, om de ganse dag bloed te moeten prikken?

“Meneer Arts?” zei hij. Hij had een blaadje bij zich waarop hij keek. Een man van een paar stoelen verderop kwam overeind. Hij liep naar de bloedman.

“O nee,” zei hij, “dat mag niet meer,” toen zijn half uitgestoken hand geen respons kreeg.

“Volgt u mij,” antwoordde de bloedman.

“U kunt beter mij volgen,” zei de man.

De bloedman keek verbaasd om.

“Ik ben immers Arts,” zei de man.

Hij lachte voluit. Ik kreeg nog meer met de bloedman te doen.

Standaard

Opdraaien

De tijd spoedt heen. Dat is meestal het beste wat ervan gezegd kan worden. Gaby vanden Berghe

Mijn grootmoeder heeft mij de tijd nagelaten. Ik hoef hem slechts zo nu en dan op te winden en dan gaat hij weer voort voor bepaalde duur.

“Ik begrijp nu steeds beter wat ze bedoelden,” zei ik tegen Lief. Ik had het over de Oude Mensen van Toen die klaagden dat hun wereld steeds kleiner werd doordat er steeds meer omvielen. Dat ze klaagden vond ik destijds. Nu zou ik zeggen dat ze vaststelden. Met enige weemoed, misschien, maar vaststelden, niet meer dan dat.

Lief begreep me – hij heeft per slot dezelfde kantelingen meegemaakt. Nou ja, goed: veel ervan. Hij begreep ook waar mijn melancholie vandaan kwam en nam mijn hand.

“Ze gaat niet dood,” beloofde hij. We waren net onderweg naar haar met een boek en een foto. De toezegging die hij deed was evenzo zinloos als noodzakelijk. Ik glimlachte.

Intussen wilde ik niets liever dan de tijd opdraaien.

Standaard

Steen

De werkelijkheid kun je niet opschrijven. Die is zo verbijsterend dat niemand ‘t geloven zou. Simon Carmiggelt

Ik zou zowat de gordijnen toedoen, een neiging om me af te sluiten – de wereld uit te bannen, die ik bepaaldelijk als zielseigen bij me herken. Ik beheers de verleiding van deze aandrift en ga in plaats daarvan naar buiten, waar het grijst en nevelt.

Maar toch: het verlicht en verlucht evenzeer. Ik wandel en kom boven, zogezegd. Om er nog een vergelijking aan toe te voegen, vult elke ademteug het gat waarmee ik deze ochtend was wakker geworden.

Bij een keramiekzaak houd ik halt. Neem me mee staat er op een doos met stenen geschreven. Het is gratis en voor niks en dus aan mij besteed. Ik grabbel en kijk naar binnen. Een jongen met een mondkapje zwaait. Hij lacht, denk ik.

In de steen staat Pessimisme gekerfd. Eén woord, meer niet.

Ik stop hem bij me, terwijl ik terugzwaai.

Ik moet naar huis, denk ik, de gordijnen sluiten.

Standaard

K.

Dag is dood
Droom schrijft ongeschreven sprookjes in je bloed
Morgen is een kabouter met een nagelnieuwe hoed.
Fernand Lambrecht

“We hadden het vanmorgen nog over haar. Was jij daarbij?”

Ik wist niet over wie ze het had.

“Die mevrouw, die we al een poosje niet meer hebben gezien. We dachten nog: Er zal toch niks met haar zijn? Maar zonet was ze er.”

Ze knikte.

“En?” vroeg ik, “was alles goed met haar?”

Ze schudde haar hoofd.

“We dachten nog even dat ze C. had, maar het was veel erger,” zei ze, “Ik durf het niet eens uit te spreken, had ze gezegd. K. dus.” Ze wreef over haar buik. “Ze zei niet precies wat voor K. maar het moest ergens hier zijn.”

“Dat is niet best,” zei ik.

Ze trok haar lippen samen.

“Zeker niet,” zuchtte ze.

“Tsjonge,” zei ik. Ze knikte.

“En vanmorgen hadden we het nog over haar,” zei ze.

Ik schudde mijn hoofd.

“Het kan raar lopen,” zei ik.

Ze knikte weer.

“Precies,” zei ze.

Standaard

Verwachting

Tijd is slechts de rivier waarin ik ga vissen. Henri David Thoreau

Hij duldde het leven, enkel omdat hij nu eenmaal geboren was, maar verbeidde het einde ervan – zoals zovelen van ons. Goddank verwachtte hij dat het niet te lang zou duren.

“Vijftig?” informeerde ik.

“Drieënvijftig,” stelde hij beslist, “uiterlijk.”

Ik kauwde op het vooruitblik.

“Wat als je eenmaal zover bent,” bestond ik, “en…” Ik dorst de zin niet te voltooien.

“En…?” drong hij aan.

“Nou,” zwichtte ik, “wat als je eenmaal zover bent en je ziet in dat dit het is en je bent er tevreden mee? Gelukkig zelfs, misschien?”

Hij had de mogelijkheid niet eerder bedacht, of in elk geval niet toegelaten. Hij verblikte.

“Vreselijk,” mompelde hij, zich afdraaiend. Een woord dat hij alleen nog maar kon herhalen. “Vreselijk.”

Dan keek hij me rechtstreeks aan.

“Mijn grootvader en diens vader zijn allebei ver in de negentig geworden,” zei hij. Dan keek hij weer weg.

“Vreselijk,” zei hij nog een keer.

Standaard

Tafel van twee

Het huwelijk is een aan twee zijden gedekte weddenschap. John Updike

Ze probeerde troostend te klinken.

“Och lieverd,” zei de dame met het Beatrix-kapsel, “maak je er toch niet zo druk om. Iedereen droomt wel eens iets ongepasts. Daar kun jij toch niks aan doen.”

De geblondeerde, die meer iets weg had van Rose Nyland uit The Golden Girls, zuchtte. Niemand begreep haar.

“Was het maar dat,” jeremieerde ze, “dan kon ik het nog altijd afdoen als maar een droom, waar hij niks van hoefde te weten. Maar dit is anders. Erger. Hij merkte het ook meteen. Dat zag ik. Ik kan niet liegen. Niet over zoiets, tenminste.”

Beatrix wreef over Roses schouder.

“Wat was het nu helemaal?” suste ze, “je was aan het eten. Je droomde van eten.”

“In een restaurant!” riep Rose, “bomvol gasten en middenin deze lockdown.”

Beatrix bleef wrijven.

“Wat denk je,” vroeg Rose met een snik in haar stem, “zal ik het hem toch moeten vertellen?”

Standaard

Penarie

Als je toch niet kan ophouden met zuchten, wil je ‘t dan doen op een ritme waarop ik dansen kan? Ashleigh Brilliant

Hij had moeite het te begrijpen – of misschien wilde hij dat wel helemaal niet.

“Alleen omdat zij te eigenwijs zijn om te luisteren zitten wij met de gebakken peren,” meewaarde hij. Zijn mondkapje, dat eerst nog zijn lippen had bedekt, zakte ermee tot op de kin.

“Neem mijn buurvrouw nou,” zei hij, “alsjeblieft!” De bejaarde grap deed hem nog iedere keer weer schuddebuiken.

“Nee, maar alle gekheid op een stokje,” zei hij, eenmaal bedaard, “je mag – hoeveel mensen mag je hebben? Twee toch? Nou, zij ontvangt er makkelijk tien. En als ik daar dan wat van zeg, dan zijn de rapen gaar.”

Hij veegde met een zakdoek onder zijn neus.

“Nou zeg ik er niks van, want ik ben doof, maar daar gaat het niet om. Dankzij zulke mensen zitten wij dus in de penarie.”

Het mondkapje dreigde aan één kant los te laten. Ik zei er maar niks van.

Standaard

Behoefte

Kom, voor je je bij goden zet,
tot grensbesef op het toilet!
Ubbo-Derk Hakholt

Soms ben ik net een mens – vooral wanneer ik me ontlast.

Deze gedachte bekruipt me vaker na de aandrang die het veroorzaakte. En meestal nadat er iemand anders was met een gelijksoortige behoefte, die, onwetend van mijn bezetting, de deur wil openenen en de klink berammelt.

Ik houd me dan stil en blijf nog even zitten, voordat ik mezelf verschoon en vertrek uit het closet en de zetel laat voor de volgende.

Dat om te beginnen.

Ik zeg het u, omdat het omgekeerde ook is voorgevallen: dat ik moest, zal ik maar zeggen, en dat ik na mijn presentatie fluks de spoelbak hoor doortrekken en de toegang ontsloten.

Met een vriendelijk knikje werd ik dan toegelaten, in zulk een rap tempo, alsof de dader me had staan – of zitten – opwachten, met gewassen handen en zo meer.

Ik weet, het is een boodschap van niks.

Soms ben ik net een mens.

Standaard

Snoof

Geluk is de verleden tijd herlevend door de dromen in een onhoorbare branding van beelden. Lucebert

Ze snoof en dat zei genoeg.

“Ik zou ook wel thuis willen werken,” zei ze. Ik probeerde haar uitdrukking te interpreteren, maar kwam niet verder dan gelaten maar woedend – wat haar waarschijnlijk tekort deed.

“Maar dat gaat nu eenmaal niet,” zette ze voort, “ik kan niet in mijn pyjama achter de computer kruipen en Netflixen in de baas zijn tijd. Ik ken er genoeg die dat doen.” Ze knikte vastberaden, alsof ze ter plekke naam- en adresgegevens zou kunnen produceren.

“Dat klopt van geen kanten,” zei ze, “want ik moet mijn uren wel gewoon maken – corona of geen corona.”

Er kwam meer onrecht aan, zag ik.

“Maar er zijn er ook die gewoon iedere dag naar kantoor komen,” zei ze, “omdat ze de mensen missen, zogenaamd. Nou, dat klopt toch ook van geen kanten: ze moeten eigenlijk thuisblijven maar gaan zomaar doodgewoon naar het werk.”

Ze snoof nog maar eens.

Standaard

Boter, kaas en eieren

De mens leeft niet van brood alleen. Wel van de kaas van tussen een ander zijn brood. Julien de Valckenaere

Ik had de margarine uit de kast gehaald, denk ik, en de boter laten staan, omdat die minder smeert met deze temperatuur.

Misschien dat ik een boterham had gemaakt met plakjes kaas en ei – leerdammer, denk ik. Er stond geloof ik vruchtensap, maar ik zal vermoedelijk een glas water ingeschonken hebben.

Het kan zijn dat ik alvast dacht aan de gebraden gehakt en overwoog om die op het volgende sneetje te doen. De beker soep die ik meestal nam had ik denkelijk overgeslagen, omdat ik ze voor dat moment te heet vond en te veel. In plaats daarvan zou ik waarschijnlijk afsluiten met pindakaas of hagelslag.

Wat ik wel weet, is dat Lief begon te zingen – naar de aanleiding ervan zou ik moeten gissen. Het was Phil Collins, geloof ik, maar dat had ook iemand anders kunnen zijn.

Want hij zong en ik verzonk en al het andere was vergeten.

Standaard