OverdrachtLeestijd 1 min

In een station reist de tijd. Paul Bourgoignie

De jongen stapte uit de auto, die met lopende motor bleef wachten. Hij liep naar de fietsenstalling en gaf de jongen met het baseballpetje, die daar stond, een boks. Tegelijk bewoog iets van de ene hand naar de andere. De jongen uit de auto liep terug, de andere pakte zijn fiets en reed weg.

Het was in Z., op het station van Z., de plaats waar ik was opgegroeid. In een tijd dat iedereen elkaar kende en de politie nog gezag had en de orde zichzelf wel handhaafde. Ik kon me in elk geval geen misdrijf of overtreding herinneren.

Ik begreep ook wel dat de tijd niet was stilgestaan en vooral niet kon worden teruggedraaid, hoe graag ik dat misschien wilde, maar het voelde als een kras op een lang niet gedraaide lievelingslangspeelplaat.

De jongen uit de auto knikte naar me voor hij instapte en wegreed.

Dat dan weer wel.

Standaard