ArthurLeestijd 3 min

Een jongen liep over straat. Hij liep Mowl voorbij, kwam weer terug en liep het tuinpad op. Ik opende de deur.
-“Hello, I’m Arthur.”, zei hij.
Arthur vertelde dat hij was beroofd en nu niks meer had dan zijn auto. Hij was op weg naar Amsterdam, naar een vriend, maar wilde even bellen om te zeggen dat ie wat later zou komen. Of hij gebruik mocht maken van de telefoon. Ik noodde hem binnen.
Hij doorzocht zijn zakken naar een briefje waar hij het telefoonnummer van zijn maat had opgeschreven. Nergens. Misschien lag het nog in de auto. Die stond aan de andere kant van het park. Binnen tien minuten zou hij terugzijn.
Twintig minuten later verscheen Arthur weer aan de deur. Hij kwam binnen, deed de schoenen uit en stond erop eerst wat uitleg te geven.
-“Het moet heel vreemd overkomen,” zei Arthur, “Als er iemand aan de deur komt met zo’n onwaarschijnlijk verhaal.”
Hij vertelde dat hij uit Katowice kwam, in Polen. Het was een gevaarlijke stad, Katowice. Er werd veel gemoord. Hij had besloten om weg te gaan uit Polen en was in aanraking gekomen met ESL, een studenten-uitwisselingsprogramma. Via ESL was Arthur in Nederland terechtgekomen, waar hij kon werken bij Vroom en Dreesmann.
Hem was een hotelkamer beloofd, die – volgens de foto’s – volledig gemeubileerd zou zijn. In werkelijkheid kwam hij in een soort van opvangcentrum terecht aan de Amsterdamseweg. De kamer die hem werd toegewezen was volledig leeg. Arthur kocht een bed en andere spulletjes en settelde zich.
Hij maakte kennis met een meisje. Een leuk meisje, leek het in eerste instantie. Hij had er wat mee (“I slept with her.”), maar ontdekte toen dat ze marihuana en cocaïne gebruikte.
Na een week bij Vroom en Dreesmann in het distributiecentrum te hebben gewerkt, werd Arthur ontslagen. In het opvangcentrum bleek het meisje dat ook te weten. Het meisje (met blijkbaar een beheerdersfunctie) zegde hem de huur op. Hij moest onmiddellijk vertrekken.
Hierna werd het verhaal onduidelijk. Er bleek nog een man in het spel te zijn. Die heeft vervolgens de telefoon van Arthur afgenomen en even later, toen Arthur buiten stond, zag hij dat zijn kamer leeggehaald was. Hij had niets meer, ook geen slaapverblijf. Of hij misschien bij ons zou kunnen overnachten?
-“We don’t have a spare-room.” loog Mowl. Arthur wuifde – of we eerst even zijn verhaal af wilden luisteren. We zwegen.
In elke geval had hij nou alleen nog zijn auto. Daar moest ie in slapen. Verder had hij niks.
En zijn vriend in Amsterdam dan? Ja, hij had het nummer nu. Hij zou hem bellen.
We gaven hem de telefoon en hij belde een nummer. Aan de andere kant werd opgenomen. Arthur vertelde de stem van de telefoon dat hij hem vandaag weer zou zien op het werk. Hij hing op.
Arthur vroeg naar het telefoonnummer van de politie. Hij wilde aangifte doen. Hij was al op het bureau geweest, maar wist de naam van de straat waar hij verbleef niet. We gaven hem het 0900-nummer. Arthur wilde dat wij belden.
-“Why?”
Arthur dacht dat we zijn verhaal het beste in het Nederlands konden vertellen. We stopten de telefoon terug in zijn handen. “I think it’s better if you call.” Hij belde. De telefoon ging over. Een vrouwenstem maakte contact. Arthur begon zijn verhaal in het Engels. De vrouw onderbrak hem. “Where? Arnhem.” zei hij. Hij werd doorverbonden.
Blijkbaar duurde het te lang, want Arthur verbrak de verbinding.
Even keek hij ons aan. “Why don’t you go to the police-office now?” stelden we voor. Arthur knikte. Dat was misschien nog wel het beste.
Hij bedankte ons voor de gastvrijheid, deed zijn schoenen aan en verliet het huis.
Even later zagen we Arthur in zijn auto de straat omhoogrijden: het was een autobusje van een uitzendbureau. Hij zwaaide. Korte tijd daarna reed hij de straat weer af.

Een vreemde ontmoeting. Hoe kon iemand die niks meer had zo gladgeschoren zijn? Toen we naar bed gingen, controleerden we nog even extra of de deur op slot was, de haken erop en het dak dicht.

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.