Anders

Er is maar één ding zeker aan het leven en dat is dat je het ooit verliest. Marcel Achard

“Je moet gewoon blijven aanbellen,” riep de postbode op haar fiets, “ze zijn toch altijd thuis.”

Ze riep het aanrijdend van een afstandje tegen de pakketbezorger, die met een doosje in zijn handen voor een gesloten deur stond. Aan de overkant van de straat was zijn bestelwagen, die ik, met zijn opengeschoven deur aan chauffeurszijde, ergens op een ijscokar vond lijken.

De man draaide zijn hoofd naar de vrouw.

“Hoe weet je dat?” vroeg hij, op een zachter volume nu de facteur al bijna bij hem was.

Ze haalde haar schouders op. Het was voor haar klaar.

“Ik kom hier elke dag,” antwoordde ze, “en dan weet je zulke dingen.”

De bezorger knikte verduldig.

“Natuurlijk,” zei hij voordat hij weer op de bel drukte. Samen wachtten ze af, maar de deur bleef gesloten. De bezorger keek maar eens naar de bode.

“Vreemd,” zei die peinzend, “anders zijn ze er altijd.”

Standaard

Holland

Talk English to me,” had ze gezegd. Niet eens Please of Would you, maar volledig imperatief. En dat voor een meisje in een winkel in de stad, aan wie ik een heel eenvoudige vraag stelde.

“Ik was eventjes verbijsterd,” zei ik.

“En wat zei jij toen?” wilde M. weten, de collega aan wie ik het vertelde.

Nu kwam de bekentenis, waar ik niet onderuit kwam.

“Ik was pissig,” zei ik, inleidend maar overvloedig, “dus ik blafte terug: No, you talk Dutch with me. You are in Holland!

M. trok met zijn lippen.

“Was dat erg?” vroeg ik, “Ik bedoel: dat was erg, maar was dat te erg?”

M. keek. Bedenkelijk, schatte ik. Afkeurend, vreesde ik. Hij formuleerde zijn oordeel van binnen. Voorzichtig. Veel te voorzichtig, naar mijn smaak.

Veel te erg,” velde hij uiteindelijk. “Hoe kon je dat zeggen?”

Hij schudde zijn hoofd.

“Dit is Nederland,” zei hij, “niet Holland.”

Standaard

Contract

Ik mocht het niet denken, laat staan uitspreken. Toch verstoutte ik me, zij het binnensmonds – zoals ik meesttijds mijn heldenmoed halfhartig verhul – en zei het de kat: “Weet je wel wat je ons gekost hebt?”

Ze reageerde niet. Natuurlijk niet. Allereerst niet omdat ze me in alle waarschijnlijkheid niet gehoord had, maar daarnaast en bovenal omdat het haar geen loer zou interesseren hoeveel euro’s we aan haar welzijn nu werkelijk hadden besteed. Ze maakt waar wat wij slechts prediken door geld te verachten en enkel waarde te hechten aan dat wat het leven werkelijk zin geeft.

Slapen, eten en poepen.

Dat ik haar daarnaast nog probeer te bewegen om op mijn schoot te liggen – of daarnaast, desnoods – is duidelijk teveel gevraagd.

“Dat staat niet in mijn contract,” zegt ze nog net niet, als ze weer op de vensterbank springt en zich oprolt om verder te slapen.

Ik mocht eens denken.

Standaard

Oktober

Ze zaten op de trap in het portiek, de jongen en het meisje, en minden elkaar. Dat wil zeggen, ze zoenden en streelden en keken in de ogen van de ander. Daar spraken ze woorden bij, waarvan ik de betekenis slechts kon gissen – maar ik wist voorzeker dat het liefdevol was en teer en toegenegen. Ik las het in de glans op hun gezichten, de stralen die bijkans de hele straat in het licht doopten, die daarvoor nog bukte onder de sombere bewolking.

De tijd was te krap, maar dan, wat kan de liefde wel omvatten? Dus kwam er onverbiddelijk het moment dat ze beiden opstonden om afscheid te gaan nemen.

Het meisje zette een bril op en liep weg, nagekeken door de jongen. Toen ze verdwenen was ging hij naar binnen.

Even later kwam hij weer naar buiten – in Lederhosen nu.

Jetzt geht die Party richtig los!” riep hij uit.

Standaard

QR

Hij draaide het velletje papier zo omstandig rond, dat ik hem er wel naar moest vragen. Voordat hij antwoordde keek hij me aan, zoals Simon Carmiggelt dat zou hebben gedaan: met droeve, walomgeven ogen.

“Ach meneer,” sleurde hij – en ik herkende de stem van de Kronkels -, “ik ben ten einde raad. Kunt u mij vertellen wat ik hiermee moet?”

Ik wierp een korte blik op het blaadje.

“Dat is een QR-code,” zag ik, “daarmee kunt u op café gaan.”

Gelaten bekeek hij het geschrift. Hij schudde zijn hoofd.

“Maar kijk,” zei hij, “hier bij de instructies. Daar staat: Print dit coronabewijs op A4. Hoe moet ik dat nou doen?”

Hier was dan het Droste-dilemma geboren.

“U heeft het al gedaan,” zei ik, “of door iemand laten doen. Het is goed zo.”

De man stak het drukwerk bij zich.

“Het is goed zo,” mompelde hij me na zonder al teveel fiducie.

Standaard

Eenenveertig

Het was blijkbaar de tijd der vaderlozen, waar ik in was getreden. Want ook zij, die dame van vijfentachtig, had geen idee van wie zij kwam.

“Hij zou een Franse graaf zijn,” vertelde ze, “die op de plantage waar mijn moeder werkte drie vrouwen had bezwangerd. Maar er was een gravin, dus waren wij een schande. Nou ja, misschien een euvel, dat kon worden verholpen met wat geld en een invalvader. Mijn moeders eer was er door gered en, wat belangrijker was, het blazoen van de graaf gezuiverd.”

De herinnering deed haar ogen sprankelen.

“Mijn broer kende mijn vader,” zei ze, “en die was lang en blond, met blauwe ogen. Nou, daar leek ik helemaal niet op. Maar dan pochte ik over de erfenis die ik van de graaf had gekregen.

O ja, zei mijn broer, wat dan?

Mijn voeten, zei ik, ik ben hier de enige met maat eenenveertig.

Standaard

Zogenaamd

Ze was kort na de oorlog geboren en meteen aan een ander gezin afgestaan. De verworteling beoordeelde ze met schouderophalen.

“Ik heb goed plat leren praten,” lachte ze. Dan werd haar blik serieuzer.

“Vorig jaar ontdekte ik ineens dat ik nog drie broers had,” zei ze, “nou ja twee: de derde was al dood. Maar ze hadden allemaal in het theater gestaan,” zei ze, “acteurs waren ze, alledrie.”

De glimlach keerde gemind terug.

“Ik had ze zelfs nog wel op televisie gezien,” knikte ze, “zonder dat ik wist dat ze… Nou ja.”

Uit haar handtas haalde ze een zakdoek, die ze fijnkneep in haar vuist. Ik zag haar bijten op de lippen.

“Na vijfenzeventig jaar weet ik eindelijk hoe ik heet,” hoorde ik.

Haar hoofd zakte wat. Kort. Dan keek ze weer op.

“Maar in het dorp blijf ik wie ik ben,” zei ze. “Daar kennen ze me niet anders.”

Standaard

Energie

“Ik keek op mijn stappenteller -,” begon de man.

Meteen na deze inleiding hield hij in en keek hij rond. Het begin vernoodzaakte al een uitleg zag hij. Hij knikte.

“Jazeker, ik heb een stappenteller,” verzekerde hij. Hij liet ter bewijs zijn telefoon aan de bende zien. Dan ging hij verder.

“Maar goed, die stappenteller dus, vertelde me dat ik er al tweehonderdvijftig had gezet. Stappen welgezegd. Die dag dan.”

Weer keek hij om zich heen om de gezichten van de avond te meten.

“Dat was het record van de maand,” vertelde hij. Zijn ogen vergrootten en verstrooiden de sjeu als mest uit een gierkar. Het gezelschap was begerig naar de voeding die hij bood.

Dan schonk hij zich nog een glas in en leunde achterover – voldaan, zo te zien. De omzitters wist hij aan zijn lippen.

“Ik ben zuinig met energie,” nipte hij grijnzend. “Zeker als het de mijne is.”

Standaard

Verdronken

Het was niet voorzien. Ik had het niet bedacht. Ik had gedacht dat ik gewoon een bezoek zou brengen aan haar graf. Uit respect. Deemoedig. Zoals van een zoon mag worden verwacht.

Maar toen ik daar stond en een verwoording zocht van wat ik voelde, werkelijk voelde, overspoelde de woede me – ik kan het niet anders noemen.

Ze had gesproken toen ze had moeten zwijgen, wist ik, en was stil gebleven toen ze juist had moeten praten.

Wat doe ik hier? dacht ik, toen ik overkolkt werd en verdronk – bijna verdronk, nou ja, dreigde te verdrinken, maar niet verdronk, niet echt, niet werkelijk. Maar bijna.

Ik draaide me om en liep weg, het grindpad af, naar de uitgang.

Op een aantal stenen was een briefje geplakt, van de beheerder, dat het graf binnenkort geruimd zou worden.

Ik moest daarop nog wachten, dacht ik, toen ik de poort achter me sloot.

Standaard

Voort

Ze kon er ook nog wel bij. Het zoveelste sterfgeval in korte tijd. Het was een aaneenrijging van doden om me heen. Dor hout werd gesnoeid, wie overtollig was geruimd.

Zij kon er ook nog wel bij.

Ik bedoelde dat feitelijk.

Van de doden niets dan goeds, natuurlijk – en ik zal geen kwaad woord van haar spreken – maar haar overlijden was haast een gaping in de neerslaande reeks van verlies en verbeurte, een verademing zelfs.

Ik ga haar niet missen, dacht ik bijna schaamteloos, tenminste: niet erg, dacht ik erachteraan om mezelf niet al te gevoelloos te doen lijken, terwijl ondertussen geniepig de eerste gedachte zich bleef herhalen.

Gelukkig, dacht ik stil en vooral niet hardop, zal ik geen tranen hoeven laten en ongehinderd kunnen lachen zonder me schuldig te moeten voelen omdat zij er niet meer is.

Deze dood, dacht ik, bewijst mij dat het leven werkelijk verder gaat.

Standaard