Omkijken

De droom kan niet zonder de realiteit en de menselijke realiteit niet zonder de droom. Die ambivalentie doet de mens op de grens staan tussen twee ruimtes die hem geen van beide een onderkomen bieden. Frans Depeuter

Links stond een tentje, zag ik, een groen tentje. Net groot genoeg voor één persoon, dacht ik, en waarschijnlijk was het van de man die ik hoorde.

Hij sprak in een tong die ik niet kende, maar luid genoeg in elk geval om op te merken. Zonder dat had ik waarschijnlijk het groene tentje niet eens gezien, dat enkele meters verderop van het pad waar ik liep was neergezet in het bos. De kleur en de plek waar het stond lieten verschuiling vermoeden of tenminste de behoefte daaraan. Zo sterk, dat ik bijna wilde roepen: ‘Wees stil, ze horen je!’

Maar er was niemand om te waarschuwen, niemand die ik zag, in elk geval. Tenzij ik bleef staan, misschien, of enkele stappen het bos in zou gaan, wellicht.

Mogelijk is hij aan te bellen, dacht ik, dus liep ik door om niet te storen.

Toch keek ik nog even om.

Standaard

Jeugd van tegenwoordig

Soms denk ik: ik moet toch eens iemand tegenspreken. Zoiets brengt vuur in de conversatie en je krijgt er – nog mooier – vijanden door. Gerrit Komrij

“Kun je me verstaan?” riep hij, gedoken in een hoodie in zijn eentje langs de kant van de weg. Hij stapte flink door nu het ging duisteren en zijn gezicht was verdekt, maar zijn stem verried een goed humeur. Misschien wel te goed.

“Ik ben een oortje kwijt,” zei hij, “Vandaar. Dus noem me maar Vincent.”

Hij lachte luidop zonder geluid, alsof hij wilde wachten wat de ander ervan vond. Die reactie was onvoldoende, zo leek.

“Een oortje,” herhaalde hij, “kwijt. Net als Vincent. Dus.”

Er was geen Dus aan de andere kant.

Hij zuchtte. De grap viel harder dan verwacht.

“De schilder, man, je weet wel. Vincent.”

Het moest blijkbaar toch nog uitgelegd.

“Ja, weet ik veel, Vincent. Van die Mona Lisa, geloof ik. Ja. Van Rijn. Vincent van Rijn. Ken je die niet?”

Hij grinnikte hoofdschuddend.

“Het klopt echt hè, wat ze zeggen, over die jeugd van tegenwoordig.”

Standaard

Pelgrims

In Rome is iedereen pastoor of wil het lijken.Casanova

Het pleintje aan de Via Laurentina, op onze weg naar Vaticaanstad, droeg geen naam, net als de mannen op de bankjes. Een enkeling sliep, een ander dronk bier en geen van hen leek een bestemming te hebben.

Het was warm – het was Rome in augustus – en we hadden een bankje gevonden om er het water te drinken dat in de rugzak intussen lauw was geworden.

De jongen die voorbijkwam kreeg drie sigaretten.

Hij keek verrast en blij en liep naar een bankje even verderop. Zijn dankbaarheid voelde ongemakkelijk. Gelijk de plotselinge gift de jongen blijkbaar deed beschromen – hij deelde ze met andere pleinbezoekers. Ze liepen langs ons heen, terwijl ze de sigaretten verstopten in een naad van hun hemd.

Het was voor later, begreep ik, wanneer de tijden nog meer naar nicotine noopten.

We lesten onze dorst en zetten onze wandeltocht naar de Sint Pieter verder.

God was niet hier.

Standaard

Bordspel

Ontspanning is het zout van de arbeid. Plutarchus

Ze deden een bordspel, de twee die ik bedacht had moeder en zoon te zijn – maar ik kan me natuurlijk vergissen. Ik kende het spel vaag: er waren bordjes met afbeeldingen van mensen waarvan je, door de juiste vragen te stellen, de door je tegenstander aangewezene moest zien te raden.

De zoon – als hij dat tenminste was – kende de regels minder.

“Is het een man of een vrouw?” vroeg hij.

De moeder schudde haar hoofd.

“Het moet een ja-of-nee-vraag zijn,” hielp ze, “en als het ja is, mag je verder.”

“O ja,” zei de zoon.

De moeder keek.

“Nou?” drong ze aan.

“O ja,” zei de zoon. Hij dacht na, zo leek het. “Is het een vrouw?” ging hij.

“Ja,” zei de moeder.

Er gebeurde daarna niet veel.

“Nu mogen alle mannen weg,” zuchtte de moeder.

De zoon grinnikte.

“Dat heb ik je nog nooit eerder horen zeggen,” zei hij.

Standaard

Fahrrad

Je kunt je beter terugtrekken uit de dingen dan erin verstrikt raken. Györgyi Konràd

Toen ik mijn mond niet wist te houden, daar ging het mis.

Want nadat ze had verteld dat ze op fietsvakantie ging door Duitsland, verbrak de quarantaine van mijn tong.

“Kijk maar uit met fietsen en Duitsers,” zei ik met een geinig vertrokken je-weet-wel-waar-ik-het-over-heb-gezicht.

Ze wist het dus niet. Maar ze knikte wel, traag van onduidelijkheid.

“Omdat ze geen fietspaden hebben, daar?” probeerde ze.

Ze meende het en dat maakte me nerveus.

“Nee,” hakkelde ik verward, “vanwege fietsen. En Duitsers. Snap je?”

Haar gezicht antwoordde. Ik moest blijkbaar de hele beker legen.

“In de oorlog zijn de Duitsers er met Nederlandse fietsen vandoor gegaan,” probeerde ik zwakker.

“De oorlog?” herhaalde ze. Ik slikte.

“De Tweede Wereldoorlog,” mompelde ik.

Ze fronste. Haar hoofd schudde wat als ze me indringend bekeek.

“En dat is grappig?” deed ze.

Mijn wangen gloeiden. Ik boog mijn hoofd.

“Niet echt,” gaf ik toe. “Niet meer.”

Standaard

Twintig

Als de vlinders in je buik afsterven,
stuur je vrienden dan gele doodsbrieven. Yoko Ono

Twintig jaar later liep ik met Lief het terras van de strandtent op. Ik had er al eerder willen komen – de uitbater had mij tenslotte van bloggen geleerd.

Misschien is hij er zelf wel, hoopte ik, en kan ik hem verheugen.

Het terras oogde tamelijk leeg. We gingen zitten langs het windscherm. Er kwam meteen iemand op ons af.

“Dit is een tafel voor vier personen,” maande hij. Hij wees naar achteren. “Daar is er nog eentje voor twee. Wilt u misschien daar zitten?” Hij maakte er nog een grapje bij. “Het uitzicht is in elk geval hetzelfde.”

Lief en ik keken elkaar aan.

“Ik geloof dat we beter even verder kijken,” zei ik.

Misschien was ik ontdaan, misschien teleurgesteld – ik weet het werkelijk waar niet meer.

“Woorden gedijen beter dan herinneringen,” mijmerde ik even later hardop.

Lief omarmde me grinnikend.

“Daarom moet jij ook maar blijven schrijven.” zei hij.

Standaard

Lolletje

Het leven is een raadselachtige cirkel waarvan de omtrek zich overal bevindt en het middelpunt nergens. Emile Malespine

“Kom,” trok hij aan de riem toen de man de hellingbaan verkoos boven de naastgelegen betonnen treden. De hond – een energieke spring-in-het-veld – volgde gehoorzaam maar ongecontroleerd. De paar meter die ze moesten overbruggen naar het terrastafeltje werden begeleid door een reeks naar het scheen willekeurige correcties. Uiteindelijk kwamen ze te zitten.

“Ik ben met hem naar het strand geweest,” begon hij tegen de aangrenzende gasten. Die knikten beleefd om vooral verder te gaan met hun gesprek.

“Ik had hem losgelaten,” voorkwam hij dat, “waarna hij op iedereen afrende om mee te spelen.” Hij schudde zijn hoofd. “Hij is een echte jonge hond.”

De beleefde glimlach naast hem zag hij verder niet. In plaats rukte hij aan de lijn.

“Dat dus nooit meer,” zei hij. “Straks gaat hij nog denken dat het leven een lolletje is.”

De hond ging liggen onder de tafel.

“Daar heeft niemand wat aan,” zei de man.

Standaard

Scherm

Met het leven is het net zoals met een maaltijd. We geloven steeds dat het beste nog komen moet. Elia Barceló

“Sjonge, waar staat dat nou?”

De man was gewend om biertjes in te schenken, maar moest nu ook de bestellingen voor de cafetaria opnemen. De vrouw aan de andere kant van de bar wilde het speciale campingmenu. Met de bril aan het koordje op zijn neus tuurde hij naar het kassascherm.

“Ah,” zei hij, “daar staat het. En wilt u dan met frikandel, kaassnack, nuggets of kroket?”

“Nuggets,” zei de vrouw, die daarmee klonk alsof ze het vaker had gekozen. “En alstublieft.” Ze legde een waardebon op de toog. De man schoof zijn bril naar de punt van zijn neus en bekeek het papier van voor en achter.

“Dat is een waardebon,” zuchtte hij. De vrouw zei niks. De man draaide zich terug naar de kassa en drukte een toets in. “Kan ik alles weer opnieuw doen.”

“En mag ik dan ook twee rode slush puppies?” vroeg de vrouw erachteraan.

Standaard

Offline

herinnering
is net een maniak
aan de telefoon
die maar niet ophoudt
met bellen
Arnon Grunberg

Ze had nog een antenne op haar dak gehad en een buizen-toestel als dat mogelijk was geweest. Nu had ze dan toch kabel. Alleen kabel. En alleen de belangrijkste zenders op haar tv.

“Maar ik kan niet pauzeren ofzo,” zei ze. “En streamen doe ik ook al niet. Ik huur wel een dvd’tje, als dat nodig is.”

Ze dacht even na.

“Wacht eens,” knikte ze, “ik heb ook telefoon. Een vaste lijn. Die kwam cadeau bij de kabel.”

De ernst waarmee ze keek liet me bijna lachen. Ze keek me verbaasd terug aan waardoor ik moest blozen.

“Een vaste lijn?” overschutterde ik ons, “Waarom heb je in deze tijd nog een vaste lijn?”

Ze haalde haar schouders op. Ze kon zonder moeite over mijn opgeworpen schaduw stappen.

“Nou gewoon,” zei ze, “alleen mijn schoonfamilie heeft dat nummer, dus als die overgaat weet ik dat ik niet hoef op te nemen.”

Standaard

Teruggestort

Wetten zijn spinnenwebben die de grote vliegen doorlaten en de kleintjes vangen. Honoré de Balzac

Ik had gevraagd hoe het met haar ging.

Goed, knikte ze glimlachend, tot ik aandrong.

“Nou ja,” zei ze terughoudend, “ik heb net honderd euro gestuurd naar mijn moeder.”

“Dat is mooi,” reageerde ik gedachteloos.

Ik moet beter nadenken in het vervolg, vond ik achteraf. En: ik had zelf veel botter gereageerd op een idiote opmerking als deze. Zij niet.

“Ik kreeg het meteen weer teruggestort,” passeerde ze.

Nog steeds begreep ik het niet. Dat zei ik ook. Soms reikt mijn horizon niet verder dan mijn linkerhand.

“Hoe dat zo?” vroeg ik, “Was hun bankrekening opgeheven?”

Ze zuchtte. Ik vroeg me later af of ik de veroorzaker ervan was – dat zou me niks verbaasd hebben.

“Die stomme sancties ook,” zei ze alleen.

Het duurde nog een moment voor ik het vatte. En dat besef kroop slechts langzaam maar lastig naar binnen.

Haar moeder krijgt de klappen voor Poetin, bevatte ik.

Standaard