Setpoint

In de kunst worden nieuwe vormen geschapen door de randvormen te canoniseren. Viktor Shklovsky

Toen hij me zei dat hij op tijd weg moest omdat hij morgen ging tennissen, keek ik verbaasd.

“Hoezo?” zei hij, “Je weet toch dat ik dat vroeger ook deed?

Misschien moet ik dit even uitleggen.

Hij woonde nu alweer jarenlang hier en we waren ooit eens aan de praat geraakt. Daarbij had hij verteld dat hij ooit, in een eerder leven, wereldberoemd was geweest, door zijn muziek.

“Ik had over de hele wereld huizen met zwembaden,” glinsterde hij. En tennisbanen dus. Dat had ik inderdaad nog moeten weten – maar wat geloof je nu helemaal van de verhalen van een dakloze die elke dag bij de uitgang van een supermarkt biertjes staat te drinken met zijn collega’s?

“Dat klopt,” haperde ik, “maar ik dacht…”

Ik wist niet wat ik dacht.

Gelukkig grijnsde hij. Hij sloeg me op de schouder.

“Zo zie je maar,” zei hij, “niets blijft voor altijd hetzelfde.”

Standaard

Terug

Ik heb geen andere reden een boek te schrijven dan mij op leugenachtige wijze van mijn geboorte en verleden los te maken, wat nooit lukt, maar in de leugen is een ondergrond van de waarheid, en de waarheid draagt de verborgen kiemcellen van de bevrijding, dat is een troost. Rudolf Geel

In het voorbijgaan keek ik onwillekeurig bij het restaurant naar binnen. Pas enkele stappen verder drong de herkenning in. Het was Broer, die daar zat, of anders iemand die sterk op hem geleek.

Sinds de begrafenis had ik hem niet meer gesproken – en eigenlijk toen ook al niet. Bloedverwantschap is een overdreven relatie: ik had het eerder al bij katten meegemaakt. Familie is geen keuze, het overkomt je. Het is een bevinding, meer niet.

Ik had er geen gedachte meer aan verspild, dat onze wegen elkaar voortaan niet meer zouden kruisen, maar nu was hij alsnog mijn wereld ingevallen en daarmee ook mijn hoofd. Of hij het nu wel was die daar zat of niet. Bijna wilde ik teruglopen om nog eens te kijken, maar hij was al binnen. Broer was terug.

Terwijl ik doorliep trok ik mijn kraag op en haalde diep adem.

Hij zou vanzelf wel weer weggaan.

Standaard

Vals

Zonder brood en wijn sterft Venus van de kou. Publius Terentius Afer

Ze stond voor me te wachten om twee flessen wijn en een port af te rekenen. Haar trainingsbroek viel me dadelijk op: hij moest ooit eens felblauw geweest zijn, maar was nu verschaald en groes. Het zitvlak was gaan hangen, gelijk heur ingekrulde haar, dat wel weer toe leek te zijn aan een nieuwe kleurspoeling. Haar toekomst leek al even achter haar te liggen.

Het kassameisje scande de boodschappen en noemde het bedrag. Terwijl de vrouw haar beursje uit de boodschappentas viste, keek ze haar aan.

“Zijn dat je echte wimpers?” vroeg ze. Het meisje leek te blozen.

“Nee hoor,” reageerde ze. “De mijne zijn wel lang, maar niet zo.” De vrouw glimlachte, tevreden naar het scheen, binst ze de flessen in haar tas deed. Dan gaf ze het kassameisje haar geld.

“Dat dacht ik al,” zei ze, wachtend op de pasmunt. “Wat zo mooi is kan nooit echt zijn.”

Standaard

Koppel

Liefde is een streep licht waarvan de lengte en de breedte bepaald worden door twee mensen die elkaar liefhebben. Riwka Bruining

Hij staarde de vrouw na, die voorbij was gelopen, met haar blik gericht op haar mobiel. Hij keek me even aan en glimlachte.

“Zie je die man daar, bij de etalage?” zei hij. Ik keek. Er stond even verderop inderdaad iemand, met de handen in zijn zakken, een winkel in te kijken. Ik mommelde bevestigend.

Hij hoort bij haar,” zei hij, wijzend met zijn sigaret. Ik keek van de man naar de vrouw – ze leken volledig ongebonden van elkaar.

“Let maar op.” beloofde hij.

De man maakte zich los van het venster en liep de straat in, de vrouw achterna. Kort daarna kwam hij naast haar en legde zijn arm op haar schouder. De vrouw reageerde niet, nog steeds gekluisterd aan het scherm in haar handen.

“Zo,” bewonderde ik, “hoe wist je dat?”

Hij trok aan zijn sigaret. Grinnikend blies hij uit.

“Jij bent niet de enige waarnemer,” zei hij.

Standaard

Code Oranje

Vermijd de massa. Denk onafhankelijk. Wees een schaakspeler, geen schaakstuk. Ralph Charell

De man met de snor stopte zijn fiets. Nou gingen we een goed gesprek krijgen. Hij lachte zo aardig – hij lacht altoos aardig. Hij leek me een heel vriendelijke man – ik wilde dat ik hem kon verstaan.

Als hij praatte, hoorde ik alle talen door elkaar. Zo af en toe kwamen er woorden die ik begreep. Zo was er iets met parlement. Het zouden de verkiezingen kunnen zijn.

“Groen?” vroeg hij, wijzend naar mij. Dat wist ik. “Oranje?” Bij dat laatste woord fronste hij. Oranje was niet goed, begreep ik.

“Groen.” beaamde ik dan maar. Een veilige keuze, hoopte ik. Wie valt er nu over groen?

“Groen?” vroeg hij nog maar eens.

“Groen.” zei ik, nu wat zekerder van mezelf.

De man met de snor stak zijn duim omhoog. Daarna stapte hij weer terug op de fiets.

“Groen goed,” zei hij. Hij zwaaide.

Ik zwaaide ook. “Groen goed,” herhaalde ik.

Standaard

Staven

Leven is hopen dat het landschap achter de volgende bocht het mooiste zal zijn. Fernand Lambrecht

In die tijd leek de eenentwintigste eeuw nog toekomst, had ik gedacht bij het zien van de video die Lenie voor me had opgezet. Het was een feest – “in de kegelbaan,” wist Lenie te vertellen – met mannen en vrouwen aan lange tafels. Ze kregen koffie en gebak.

“Ze zijn allemaal dood,” stelde Lenie vast, zoals zij alleen dat kan: met een mengeling van weemoed en berusting. “Het is zoals het is,” zei ze dan, “en niet anders.”

Op weg terug, naar het station, liep ik een man tegemoet – een oud mannetje, is wat ik dacht, als ik eerlijk ben, zoals hij zich voortbewoog, steunend op een stok. Toen we elkaar kruisten, knikten we en schrokken allebei van herkenning.

We hadden met elkaar dezelfde school bezocht. Hij was van mijn leeftijd – of ik van de zijne.

Ze zijn nog niet allemaal dood, dacht ik, maar het begint er aan te komen.

Standaard

Voorspel

Er is een ver reikende blik voor nodig om het voor de hand liggende te zien. Cor Gilhuis

Om redenen die alleen hij wist, verkoos hij zich strak langs de muren te bewegen en de loop van het afgesleten gaanpad te mijden. Misschien omdat er al zovelen de middenweg begingen – wie zal het zeggen?

Ik leek de enige die hem opmerkte en hij, op zijn beurt, leek mij niet te bekennen, terwijl hij bijkans sleep langs de wand.

Hij moest ergens heen, dacht ik, en daarom bleef ik hem volgen. Mijn veronderstelde gêne bleef wonderwel weg. Of dat een zorgelijke constatering was, zou ik later wel bezien.

Even verderop belandde de man bij een portiek, waar hij, nadat hij om zich heen had gekeken, voorzichtig indraaide en aanbelde. Een vrouw deed open – een vrouw in negligé. Zij keek over de schouder van de man de straat in en trok hem toen naar binnen.

Hier ontstaat een boek, dacht ik, opgetogen dat ik de eerste bladzijde had mogen lezen.

Standaard

Nakomen

Knellende banden laten niets te wensen over. Gerda I.M. Spronck

“Waar zijn jullie?” Hij liet zijn wenkbrauwen springen. “Ik dacht dat wij hier…” De zin bleef onvoltooid. “Laat ook maar,” zei hij, “kan gebeuren.”

Hij, meer jongen dan man, nam een slok van zijn bier.

“Als ik nu de bus neem naar huis, kan ik daar mijn auto pakken en dan ben ik rond half twee bij jullie.”

De telefoon sprak kennelijk bezwaren.

“Nee, geen probleem. Of meuren jullie dan soms al?” hoonde hij voortijdig dat argument al weg.

Er was nog meer tegenin te brengen.

“Nee, nee,” beweerde hij, “er zijn daar nooit controles en zo wel, dan pakken ze me toch niet.”

Het was even stil aan gene zijde. Hij dronk zijn bier leeg en wilde zijn jas aantrekken.

“Tenzij jullie zeggen dat je liever niet hebt…” legde hij zijn hoofd op het hakblok. Hij ging subiet zitten, met een hand nog aan zijn kraag.

“O.” zei hij.

Standaard

Ennui

Hoe kan iemand de tijd vullen met noten die de voorafgaande stilte waardig zijn? Arvo Pärt

De dichter dreef mij met zijn ontzielde voordracht bijkans in de klauwen van Belphegor. Mijn blik driftte door de vensters van de gehoorzaal naar de omgang.

Een man duwde er een oudere vrouw, in haar rolstoel, naar het invalidentoilet. Na korte tijd kwam hij alleen naar buiten.

Hij nam plaats op een stoel, met zijn blik gericht op de deur van de wc. Ik beidde met hem. Behalve dat er andere mensen aan- en afliepen, gebeurde er niets. De man zat er slechts en ik keek toe hoe hij wachtte.

Na enkele minuten stond de man op en liep hij terug het toilet in, om, even daarna, met de vrouw opnieuw de passage op te komen. Ze corrigeerde haar kleding wat en reed, door de man achter haar geloodst, mijn wereld uit. Ineens was ik weer in de ruimte waar ik daarvoor was.

De dichter was nog steeds niet gedaan.

Standaard

Negentig

Wie jong is leeft een leven waarin de dood geen vaste stoel aan tafel heeft. Sterven overkomt anderen. Simon Carmiggelt

“Hoe oud ben jij, mijn kind?” vroeg de vrouw. Ze zag eruit als een Engelse kinderjuf, inclusief een zweertje bij haar mondhoek, dat ze af en toe bevochtigde met haar tong. Het aangesproken meisje zag dat ook en durfde geen kant op.

“Tien,” staarde ze wankelmoedig naar de pok. De vrouw glimlachte en likte nog eens. Het kind probeerde niet te huiveren.

“Tien,” proefde de vrouw, “mijn vader is negentig. Weet je hoeveel dat is, negentig? Dat is bijna tien keer tien.”

Het meisje boog stilletjes haar hoofd.

“Goed zo,” zei de vrouw. Ze leek zich wat te bedenken, terwijl haar ogen even afdwaalden. Dan hernam ze zich.

“Maar jij bent nog lang niet zo oud,” zei ze. “Jij vergeet natuurlijk nooit iets en eet zelf je pap en kunt vast ook je plas ophouden zonder luier. Ja toch?”

“Ja mevrouw,” klonk het zacht.

“Goed zo,” likte de vrouw waarderend.

Standaard