De Hoogte van Hesse

Ruk niet aan uw touw, en gij zult geloven dat gij vrij zijt. Hélène Swarth

Om je polsen te openen moet je een mes – een scheermes of een ander vlijmscherp mes, scherpte is belangrijk – van boven naar beneden langs de aderen kerven, zodat je ze over een flinke lengte doorsnijdt – niet er dwars overheen, want dan schuiven ze van hun plek en gaat het gegarandeerd mis. Overlangs moet je het doen. Wanneer je het ook nog eens in een warm bad doet, blijven je bloedvaten openstaan en drijf je zo naar Elysium. En alles blijft schoon.

Dat weet ik nu. Maar toen wist ik dit niet. Ik heb alleen een douche thuis, ik sneed overdwars en mijn mes was te bot. Het enige gevolg waren bloedspetters tegen alle tegeltjes en een haastige rit naar de SEH. O ja, en een opzichtig verband om mijn pols waar iedereen naar informeerde.

De weken erna moest ik al mijn vrienden met een schuldbewust gezicht beloven dat ik het nooit weer zou doen – wat niet zo moeilijk was, want dat was ik toch al niet van plan. Niet met een mes, tenminste.

Even serieus. Ik heb nooit om dit leven gevraagd en als ik er dan toch mee wordt opgescheept, tegen mijn uitdrukkelijke wil, mag het best wel wat aangenamer wezen. Of op zijn minst uit te houden. En zo niet – dan niet.

Een kind uit een oorlog, waar mensen, vreemden, vrienden voor de ogen worden afgeslacht, lijken langs de kant van de weg worden gedumpt en niemand ze durft te begraven, tot de kadavers zo gaan stinken dat zelfs de zwerfhonden er uit de buurt blijven. Wat zegt dat een kind, denk je? Het leven is nietswaardig, leert het, en dood en verdelging zijn regel en standaard. Wat doet dat met dat kind, denk je?

Ik wist van andere werelden, waar het anders was, beter dacht ik – we hadden televisie en internet. Mijn leven was alleen maar een tijdelijke beproeving, dacht ik nog. Als ik eenmaal weg was daar, zou het allemaal beter worden. En hé, ik kon weg! Dankzij de familie die me met het spaargeld een betere toekomst gunde, de mensensmokkelaars die mij – met veel anderen – tegen forse betaling over grenzen loodsen, met ondeugdelijke bootjes en reddingsvesten die zowat nog dodelijker waren dan de oorlog die we ontvluchtten, en natuurlijk de onnozele opvang in het Westen die vol goede bedoelingen was, maar geen idee had van de hel waaruit we kwamen. Maar dat geeft niet, dacht ik, het moet eerst slechter worden voordat het beter wordt.

Ha. Wat had ik eigenlijk gedacht.

Wat had ik eigenlijk verwacht: het paradijs? Waar de leeuw en het lam vreedzaam bijeen zouden liggen en waar honing en melk in je mond zouden vliegen en er geen ziekte of armoede meer bestaan?

Ik was naïef. Ik ben normaalgesproken cynisch en zwartgallig – vraag niet hoe het komt – maar hier moet ik zeggen: ik was naïef. Ik geloofde werkelijk dat het allemaal beter zou worden.

Dat was naïef. Alsof de wereld zich zou aanpassen aan mij. Een domme, naïeve gedachte. En andersom was het allang niet meer mogelijk.

Ik heb heel veel heel aardige mensen ontmoet, massa’s vrienden gemaakt. Geweldig! Maar dat maakte het er allemaal niet makkelijker op. Hoe vertel je ze dat je niet meer verder wilt?

Want zo was het en ik kon er niks aan doen. Geloof me, ik heb meer dan mijn best gedaan om te zijn als ieder ander, die zegt het leven zo lief te hebben en elke nieuwe dag viert als alweer een piek op het bestaan. Ik heb het echt geprobeerd, maar ik kon niet zien wat zij zien. Het plezier bij een gezamenlijke barbecue, een fotomoment onder vrienden, de opwinding van samen iets beginnen – het lukte me niet. Misschien zag ik juist wel meer dan wat zij zagen. Want waar zij de hoop zagen in elk nieuw sprietje dat in het voorjaar boven de grond uitkwam, daar herkende ik de onvermijdelijke dood die grijnzend op de finale stond te wachten. Zo heb ik het van kinds af aan geleerd. Het gaat nooit om het begin, het enige wat telt is het einde.

Na het mes-incident werd vastgesteld dat ik suïcidaal zou zijn. Ik vind die term, naast een nogal voor de hand liggende diagnose, mijn toestand op een zwaar denigrerende wijze miskennen.

Ik heb het iemand als volgt proberen uit te leggen.

Stel je voor dat je depressief bent – en dan bedoel ik niet dat je wat mies bent en somber en geen zin hebt om je bed uit te komen. Dat hebben we allemaal wel eens. Nee, het leven drukt, niet voor een dag maar al de tijd, en je voelt je waardeloos in de meest letterlijke zin van het woord. Je kunt daarnaast je huur en je ziektenkostenverzekering niet betalen en de schulden stapelen zich op. Relaties lopen keer op keer stuk en opleiding en werk komen maar niet van de grond. Daarnaast heb je je familie die, vanuit daarginds, verwacht dat je de volgende Nobelprijzen gaat winnen en vrienden die je aanzien voor een onuitputtelijke bron van energie – en aan al die vooruitzichten, dat weet je, daar kun je nooit aan voldoen. Dat alles bij elkaar en dan in het kwadraat: dan voel je misschien een fractie van wat ik voelde.

Of zo.

Laat een druppel ecoline in een bak water vallen en zie hoe het terstond gaat verspreiden, draden trekkend en wevend, bijna lichtvoetig dansend door de vloeistof – zo vanzelf, zo natuurlijk, zo wonderschoon, dat je bijna niet in de gaten hebt dat het hele, eens zo doorlatende bakje vertroebeld raakt en verduisterd. Schier ongemerkt is er een alomvattende sluier over het licht gelegd.

Zoiets.

Natuurlijk, mijn vrienden hielden van me. Dat wist ik allang voordat ik die kruk onder mijn voeten vandaan had geschopt. Maar het was – hoe zal ik het zeggen? – het was niet relevant voor wat ik wilde, wat ik moest.

Ik zal je vertellen hoe dat ging, met die kruk. Het is eigenlijk best wel grappig.

Het mes was dus niks gebleken. Pillen – ik had geen idee hoeveel van welke en hoe ik er überhaupt aan moest komen. Een touw dan maar: dat leek me het allersimpelst.

Ik zal je eerlijk zeggen: ik heb gehuild toen ik op het krukje stapte, en de strop om mijn nek hing. Echt gehuild, dikke zilte tranen, misschien omdat ik wist dat ik mijn vrienden in de steek liet, net als mijn familie. Maar toch ook en vooral vanwege de verwachting en de hoop die ik had. Alleen al daarom, wist ik, moest ik het doen.

Maar goed, ik stond daar dus, touw om de nek, voeten op het krukje en happend naar adem. Gek eigenlijk, compleet overbodig goed beschouwd, maar dat deed ik dus wel: happen naar adem.

Het was feitelijk niet hoog, daar op dat krukje. Dertig centimeter of zoiets, schat ik. Een meetlat hoog misschien. Als je er vanaf valt heb je een enkel gekneusd, als je pech hebt, meer niet. Behalve als je de vloer niet meer raakt. Dan wordt het een ander verhaal. Dan wordt een meetlat plots een oneindig diep ravijn.

Ik tilde eerst mijn benen omhoog. Als om even te proberen. De strop trok dadelijk strak om mijn hals. Ik verstikte en wilde onmiddellijk weer gaan staan, maar daarbij trapte ik onbedoeld het krukje om. Dat was het grappige wat ik bedoelde. Natuurlijk raakte ik zelf wel eerst even in paniek. Dit was ineens geen proef meer, dit was verdomd echt. Mijn strot ging stuk.

Er is nu geen weg meer terug, wist ik, en sloot mijn ogen.

Al snel werd ik kalmer. Dit is wat ik wil, zei ik steeds weer tegen mezelf. Ik weet nog dat ik probeerde uit te ademen, voor de laatste keer, als een soort ultieme daad, maar dat lukte al niet meer. Shit, dacht ik nog, dit was het dus.

Toen werd ik licht en kalm en voelde de rust en de vrede over me heen komen. En dat was het.
Na twee dagen ben ik gevonden. Kort daarop hebben ze me begraven. Er waren veel belangstellenden bij de uitvaart. Sommigen komen nog steeds af en toe langs mijn graf. Het is meer voor hun eigen gemoedsrust dan voor het mijne, denk ik eerlijk gezegd. Maar dat is prima.

Ik weet van hun verdriet en zeker van hun schuldgevoel. Ze denken tekortgeschoten te zijn en menen dat ze me mogelijk hadden kunnen redden. Tja.

Iets troostends zou nu wel gepast zijn, nietwaar?

Ik zal eerlijk zijn.

Als het mes scherper was geweest, was het gewoon eerder gebeurd.

Standaard

Een gedachte over “De Hoogte van Hesse

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.