Geen berichtLeestijd 1 min

Onverschilligheid is als het ijs aan de polen: het doodt alles. Honoré de Balzac

“Het gaat sneeuwen,” zei ik, “ongekend sneeuwen en vriezen. Alleen idioten wagen zich nog buiten.”

“Ik zie je glimlachen,” mistrouwde Lief, “waarom? Jij blijft het liefst binnen als het kwik onder de achttien graden zakt.”

Ik knikte.

“Klopt,” zei ik, “mij zul je de komende dagen dan ook niet op straat zien.”

“Dus?” praamde hij, “Verklaar je vreugde.”

Ik grinnikte.

“De komende dagen zal iedereen het over het weer hebben,” verwachtte ik, “de sneeuw, het ijs, de kou.”

“En?” vroeg Lief.

“Heel even heeft niemand het over corona,” verheugde ik me.

Lief floot. Hij tikte op zijn scherm.

“Hier schrijft anders iemand dat de sneeuwval geregeld is om ons te dwingen thuis te blijven tijdens de avondklok,” weerlegde hij mijn vooruitzicht.

Ik wist even niet wat te zeggen. Dan keek ik met hem mee.

“Dat is een grapje, toch?” hoopte ik.

Ik keek Lief nog eens aan.

“Toch?” herhaalde ik.

Standaard