Ik leef

Het kwade is slechts de andere kant van het goede. Johann Wolfgang von Goethe

“We zijn allemaal god, bezig om onszelf te verheffen,” zei hij. Ik kon niet helpen dat ik bij zijn aanblik ging twijfelen. Ik bedoel, geen kwaad woord over lelijke mensen, maar in hem kon ik met geen mogelijkheid het opperwezen herkennen – zo weerzinwekkend kon de schepping nooit bedoeld zijn.

Ik glimlachte desalniettemin en veinsde interesse door ‘Zo’ te uiten. Dat had ik beter kunnen laten. Het was het teken voor hem om zijn verhandeling nu pas echt te starten. Gedurende zijn monoloog bleef mijn gezicht bevroren terwijl ik keek naar zijn glimmende en pokdalige huid, zijn sliertige haar en zijn uitgeslagen tanden. O hemel, ik zag iets glinsteren in zijn ene neusgat. Snel richtte ik me op zijn waterige ogen en probeerde ik zijn woorden te horen.

Op de juiste momenten – zo hield ik mezelf tenminste voor – toonde ik mijn empathie door een instemmend knikje in de hoop dat de hel voorbij zou gaan.

Waarachtig, dat was het: waar hij over de almachtige sprak was hij zelf de droes, dat moest hij wel zijn, voor de drommel! Ik voelde mijn ogen toeknijpen en mijn mondhoeken rijzen.

Terwijl hij verder ging over groei en welzijn van het geheel door het individu, daagde het me dat het maar net de vraag was naar wie hij had gehoord en uit wiens mond hij sprak. Wat als het kwade zich maskeerde als het goede? Het ware diens grootste list geweest.

Hij zweeg ineens en keek me aan – verwachtingsvol, vermoedde ik. Ik moest nu iets zeggen om geen argwaan te wekken. Daar ging al een wenkbrauw ietwat omhoog.

“Met zwijgen kruist men de duivel,” ontviel mij. Mijn adem stokte terstond – wat had ik gedacht? Zijn haarboog steeg nog hoger. Dan ontspande hij. Zijn tong bevochtigde zijn lippen.

“Bij sommige mensen heeft god liever dat ze twijfelen dan dat ze geloven,” reageerde hij. Dan sperde hij zijn ogen, waarin ik – kortstondig slechts – een zweem van een groene glinstering dacht te zien.

Hij stond op om weg te gaan. Daarbij drukte hij mijn hand, niet te hard, niet te slap. Hij was niet warm, noch koud of op enige andere wijze bijzonder. Het was gewoon een hand.

Pas toen hij uit het zicht verdwenen was dorst ik weer te ademen, meende ik. Nu voelde ik ook mijn hart weer bonzen.

Ik leef, dacht ik, huiverend.

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.