InhoudenLeestijd 1 min

Ik heb zo dikwijls zo vreemde
angst gekust in mijn dromen van
brons en marmer dat het tenslotte
een troost is in een regenplas
naar de blauwe hemel te staren.
Hans Lodeizen

“Hou op, schei uit,” zei de vrouw. Ze keek met toegeknepen ogen in de felle zon. “Dat helpt ook geen ene moer,” murmelde ze in de aanloop tot een half-ingehouden nies.

“Sorry,” speet haar, toen ze pas achteraf haar neus in de elleboog verstopte, “hij kwam te snel. Wacht…”

Het bleef stil. Ze schudde haar hoofd.

“Het is altijd zo, in deze periode,” vertelde ze. “Het is niet zozeer de hooikoorts, maar vooral de bomen waar ik last van heb. Al die zaadjes in de lucht. Dat is normaal al erg genoeg, maar tegenwoordig…”

Bij de laatste woorden ging haar adem ineens omhoog. Ze wachtte een moment en zuchtte dan diep.

“Vals alarm,” zei ze.

“Ik durf bijna niet te niezen,” hervatte ze, “je ziet iedereen kijken als je dat doet. Zeker tegenwoordig. Ik voel me zowat melaats. Wacht.”

Ze keek terug in het licht.

“Weer niks,” zei ze teleurgesteld.

Standaard