Jansen

Je kan je nog zo tegen je vader verzetten, uit de beperkingen van je afkomst kan je niet treden. J.P. Guépin

“Eigenlijk heet ik helemaal niet zo,” zei de jongen-met-de-bijzondere-naam. Het was een naam die klonk zoals hij er uitzag: fier en driest, maar galant en lenig.

“Het is de naam van een grote koning van mijn land,” vertelde hij, “de grootste veroveraar van ver voor de tijd dat de blanken kwamen.”

“Misschien dat ik daarom nooit van hem heb gehoord,” overwoog ik. Hij glimlachte en knikte met zijn hoofd.

“Misschien,” zei hij, en, voordat het ongemakkelijk begon te worden: “Dat is eigenlijk best wel logisch ook.”

Ik voelde me ongebruikelijk ontheven van mijn koloniale erfschuld. Nou moest ik glimlachen.

“Maar hoe heet je dan wel?” wilde ik alsnog weten.

Hij noemde zijn werkelijke naam. Het was alsof hij Jansen heette.

“Ik draag mijn vaders achternaam,” legde hij uit, “die is Nederlands.”

“Potverdrie,” reageerde ik, “dat is een tegenvaller.”

Hij grijnsde.

“Och,” zei hij, “zonder hem was ik er nooit geweest.”

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.