LompLeestijd 2 min

Ik wil op deze plek mijn spijt betuigen.

Aan de jonge vrouw die ik gisteren in de prikpost ontmoette. Ze keek me aan.

-„Waar ken ik je van?” vroeg ze.
-„Van hier, denk ik.” was mijn antwoord.

Ze schudde haar hoofd.

-„Nee, we wonen in dezelfde straat.” wist ze. Ik herinnerde het me. Ik had haar nog ‘Gelukkig nieuw jaar’ gewenst op ons traditionele straatfeest.

-„Fijn ook es wat jongere mensen hier te ontmoeten.” vervolgde ze. De overwegend bejaarde overige wachtenden leken hun oren te spitsen.
-„Ach, dat is ook maar relatief.” probeerde ik de voelbaar geërgerde stemming om mij heen te verzachten.

-„Ik heb je hier nog niet eerder gezien. Je hoeft zeker niet zo vaak.” Gelukkig werd het onderwerp veranderd.
-„Eens in de twee weken.” antwoordde ik.

-„O?” Ze keek me verbaasd aan. „Ik anders ook.”
-„Dan zullen we mekaar wel misgelopen zijn.” concludeerde ik.

-„Als je jonger bent moet je meer bloedverdunners slikken.” Daar was het onderwerp ‘leeftijd’ weer. „Ik zit op zeven.” zei ze. „En jij?”
-„Vier.” zei ik. Ik stond op — het was mijn beurt.

Toen mijn buisje bloed was afgetapt kwam ik terug in de wachtkamer om mijn jas te pakken. Ik glimlachte naar de vrouw. In haar ogen zag ik dat ze me nog veel meer had willen vertellen. Als ik haar nog even tijd gunde, kwam ik alles te weten over haar ziektebeeld. Ze had er behoefte aan om het te delen. Ik niet.

Ik pakte mijn tas en knikte.

-„Tot ziens.” zei ik.
-„Tot ziens.” zeiden de bejaarden. De jonge vrouw opende haar mond. Ik verdween.

Het was een kleine moeite voor me geweest om haar even te aanhoren. Dat heb ik niet gedaan. Het spijt me.

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.