Oortje

Als de adelaars zwijgen, tateren de papegaaien. Winston Churchill

Als de adelaars zwijgen, tateren de papegaaien. Winston Churchill

Het was zo’n bijdehand jongetje, dat zag ik meteen. Hoe hij me aankeek alleen al. Ik wou er bijna wat van zeggen, maar het joch was me voor.

“Meneer.” opende hij. Het klonk toch nog vrij aarzelend. “Meneer.” herhaalde hij nog eens, alsof ik het allemaal niet in één keer zou kunnen bevatten. “Waar is uw oortje?” De vraag liet me inderdaad even wankelen.

“M’n oortje?” antwoordde ik (het mocht stamelend geklonken hebben). “Wat bedoel je?”

“Nou,” zei de jongen, “ik hoorde u praten en ik nam aan dat u telefoneerde. Maar ik zie geen toestel en ook geen oortje en ik vroeg me af hoe dat zat.” Ik merkte dat ik kleurde. Wat moest ik hierop antwoorden?

“Ik, euh.” haperde ik voor ik bekende. “Ik denk dat ik in mezelf sprak.” De jongen fronste bepaaldelijk.

“O.” zei hij toen.

[Laat bijdehante jochies in hemelsnaam oude mannen met rust laten.]

Standaard

Een gedachte over “Oortje

  1. Patrick schreef:

    Ai, dit is mijn grote angst, dat mijn ‘dialogue intérieur’ opeens exterieur wordt. Ik had me al voorgenomen een ‘oortje’ zoals dit kind het noemt, in mijn oor te duwen als dat gaat gebeuren, om de zaak te verbloemen.

    {Mowl: goede camouflage, dunkt me.}

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.