SpeciaalLeestijd 1 min

Ik werk in de plaats waar mijn moeder woont. Uit traditie ga ik één keer per week bij haar langs. Dan eten we samen. Meestal goeie Hollandse kost. “Want dat eten jullie anders nooit.”
Eten doen we rond de middag. Veel mensen uit de generatie van mijn moeder eten tussen de middag warm. Ik hoorde het eens iemand zo zeggen: “Wij eten ‘s middags het avondeten.”

Als ik van mijn moeder weer terugloop naar mijn werk kom ik langs een school voor speciaal onderwijs. De school gaat uit en voor het gebouw staan de busjes klaar om de leerlingen naar huis te brengen. Terwijl de kinderen in de busjes klauteren, staan de chauffeurs bij elkaar. Ze praten wat, roken een sigaretje en staren over het plein.

De kinderen in de busjes zijn uitgelaten. Ze zijn vrij. Ze praten met elkaar, schreeuwen, giechelen. Doen wat kinderen doen.

In het laatste busje zit een jongetje. Hij is alleen. Hij kijkt voor zich uit en wacht tot de chauffeurs zijn uitgepraat, uitgerookt, uitgestaard. Het jongetje heeft grote, donkere ogen. Hij lijkt op een Japans tekenfilmfiguur. Ieder moment kunnen er tranen in zijn ooghoeken opborrelen.

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.