Telkens weer

brood

Een kaartje, beste treinconducteur? Ik wil eerst wel eens zien of we aankomen. Bij de bakker betaal ik toch ook pas als ik het brood in mijn handen heb? U kunt wel ik weet niet waar naartoe rijden. Ik wacht nog af. Ik ben ingestapt in de hoop dat het goed afloopt, en als dat het geval is, wil ik daar best voor betalen. Wim T. Schippers (1942)

Zomaar ‘n herinnering uit m’n kindheid. Ik, als jochie van — hoe oud zal ik geweest zijn? Negen? Tien?

Hoe dan ook: terugkerend van school tref ik m’n vader, die op strenge toon tegen me zegt: “Je hoeft niet meer thuis te komen.”

Ik voel m’n ogen branden, m’n keel dichtknijpen, tranen opwellen: paniek. Dan beginnen de ogen van m’n vader te stralen.

“Je bent al thuis!” barst ie uit. Hij lacht vol; opluchting overspoelt me. Grap geslaagd.

En niet één keer, maar vaker. Regelmatig. Frequent. En iedere keer — net als de eerste keer — volgen paniek, volle lach en opluchting.

Ik mis ‘t.

[Ik hoorde laatst dat ‘n kind tot aan z’n puberteit wel zo’n twintigduizend keer voor de gek is gehouden, voorgelogen of belazerd. Gemiddeld. Ik scoor hoger.]

Standaard

5 gedachten over “Telkens weer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.