Altijd dichtbij

De jongen zat alleen naast ons op het terras. Hij was een bouwvakkerstype. Grof gebouwd, stug, rossig haar, mouwloos t-shirt. Maar als hij sprak hoorde je Albert Mol.

Hij was aan het bellen.

“Nee joh, ik ben de hele dag wezen shoppen. (…) Ze heeft een ring voor me gekocht. Vijf-en-veertig euro! En een broek. Honderdzestig. (…) Ze is dol op me, daarom. (…) Heb je geen zin om gezellig even hier te komen? Ik zit op het terras. Negen uur? (…) Wat heb je te doen dan? (…) Oh.”

De jongen beëindigde het gesprek en bestelde nog een amsterdammertje. Dan pakte hij zijn telefoon weer.

“Hai. Met mij. (…) Nee, ik ga morgen naar de politie. (…) Ik ga hem aangeven. Wegens mishandeling. (…) Hij moet met zijn poten van me afblijven. (…) Ik zit nu in een hotel. En ik ben bij het CWI geweest. (…) C-W-I! Centrum voor Werk en Inkomen. (…) Ja. (…) Ik kan meteen aan de slag. Moet nu tien dagen achter mekaar werken. (…) Heel lief, maar dat gaat niet. Als ik thuis kom stop ik een maaltijd in de magnetron en daarna ga ik slapen. Ik ben kapot. (…) Maar heb je geen zin om gezellig even hier te komen? Op het terras? (…) Oh.”

Een volgend amsterdammertje. Een volgend gesprek.

“Ik kom morgen alles ophalen. (…) Nee, het bestek is van mij. (…) Daar heb je niks mee te maken, hoor je! Ik zal…” Blijkbaar had de andere kant opgehangen.

Nog een amsterdammertje. En nog es telefoneren.

“Hoi. Wat een gave dag was het, vandaag, hè? (…) Heb je geen zin om gezellig even hier te komen? Op het terras. (…) Maar je moet komen! (…) Ik heb geen geld. (…) Dat kun je niet maken! (…) Hoe moet ik dan betalen? (…) Ik…” Weer opgehangen, blijkbaar.

De jongen dronk zijn glas leeg, stond op en liep naar de bar. Hij rekende af en pakte zijn vest, telefoon en sigaretten. Terwijl hij wegliep toetste hij een nieuw nummer in.

“Hai. Met mij.”

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.