De jeugdLeestijd 1 min

“We moesten hem bijna gelijk geven…”
“En wat belette u dat te doen?”
“De koffie. Die was slecht. Dus moesten we wel weggaan.”
Franz Kafka

“Ik begrijp niet waar ze het van doen.”

We hadden het over de jeugd van tegenwoordig.

“Elke ochtend komen die stagiaires met een coffee-to-go in zo’n beker met een plastic deksel,” – ze trok een vies gezicht – “ik heb het wel eens geproefd, trouwens, maar ik vind die koffie echt niet te zuipen,” – ze schudde zich van de gruwel – “en in de middag gaan ze een broodje kopen in de stad.”

“Dat kost ze toch zeker vijf euro per dag,” viel een ander haar bij. Ze knikte.

“Als het niet meer is,” misprees ze.

“Ik begrijp niet waar ze het van doen.” Daar was het.

“Ze wonen natuurlijk allemaal nog thuis,” wist ze.

“Wij gingen op kamers toen we achttien waren,” zei de ander.

“Wij hadden ook een toekomst toen,” zei ik licht dralend.

Ze keken me aan en wogen mijn woorden.

“Ja, dat klopt misschien ook wel,” zei de ander.

Standaard