KyrieLeestijd 1 min

Grootse gedachten ontspruiten niet zozeer aan een groot verstand, als wel aan een groot gevoel. Fjodor M. Dostojewski

De kassajuffrouw – ik schrijf hier kassajuffrouw in plaats van caissière omdat ze de moederlijke aard bleek te bezitten van het eerste predicaat, als de juffrouw van de lagere school, waar ik hopeloos verliefd op geraakte, maar dat terzijde – maakte zich zorgen omdat ik mijn karretje te vlak achter dat van Lief had geplaatst.

“U moet anderhalve meter afstand behouden, meneer,” waarschuwde ze bekommerd, waarop ik moest glimlachen om zoveel compassie.

“Wees gerust,” antwoordde ik haar, “we horen bij elkaar.”

“Hij is mijn man,” verklaarde Lief.

Opgelucht knikte de juffrouw. Bloosde ze nu?

“Mijn excuses,” zei ze, “ik kon dat niet weten.” Waarna ze doorging artikelen aan te slaan, alsof er niks was gebeurd.

“Geenszins,” zei ik terug, “uw zojuist getoonde erbarmen heeft mij geraakt. Ik kan uw verontschuldigingen niet accepteren, maar biedt u er mijn onmetelijke dankbaarheid voor in ruil.”

De kassajuffrouw staarde mij aan, verstomd, zo zei ik mezelf.

Standaard