TijdLeestijd 1 min

De schoonmakers kwamen de wachtruimte in. Ik stond op.

„Blijf zitten.” gebood één van hen. Ik schudde mijn hoofd.
„Nee,” zei ik, „Ik zit toch maar in de weg.”

„Vandaag moppen we toch niet.” zei de man. „Het vriest en straks is alles een glijbaan.”

De mannen pakten hun bezem en veegden de troep van de vloer. Een andere reiziger kwam de ruimte binnen. Ik kende hem alleen van gezicht — en van gestalte. Hij was een kleine man, misschien wel de kleinste die ik ooit had gezien. Hij droeg een alpino-pet. Achter zijn oor was een gehoorapparaat. Onder zijn arm droeg hij een langwerpig pakket, ingepakt in een vuilniszak. De schoonmaker die me had aangesproken kende hem.

„Heb je je bezem bij je?” vroeg hij, wijzend op het pak.
„Ik ben vandaag voor het laatst.” antwoordde de kleine man. „Om elf uur ga ik met pensioen.”

„Gefeliciteerd!” zei de schoonmaker. „Wij moeten nog wel veertig jaar.” Hij knipoogde naar me.
„Ik tot elf uur.” zei de kleine man.

[Precies op tijd kwam de trein binnengereden. Voor de laatste keer stapten de kleine man en ik de zelfde wagon in. Hij leek gelukkig.
„Een hele prettige tijd verder.” zei ik. Ik benijdde hem.]

Standaard

Zeg het eens.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.