ZittenblijversLeestijd 1 min

De meeste poëtische boom die je beschrijft, heeft altijd betrekking op een boom die je zelf eens gezien hebt. Eigenlijk is alle literatuur autobiografisch. Alle mensen die dat ontkennen, huichelen maar. Dat is boerenbedrog. Gerrit Komrij

Middenin het bos zat ze strak tegen de rand van een bankje met één bil eroverheen hangend. De man zat halverwege, maar zijn bovenlichaam richtte zich al naar de vrouw die haar handen kuis op haar schoot had gelegd als een gesloten deur van de koelkast.

Het was blijkbaar de ervaring die haar houding bepaalde. De man deed – hoe dan ook – alsof hij het geheel niet in de gaten had.

“Ach schatje,” zei hij, terwijl zijn vingers over de rugleuning wandelden, “sinds wanneer ben jij zo afstandelijk?”

Er volgde een stilte waarin de man knipoogde en de vrouw slikte. Het leek alsof ze de vraag had verwacht.

“Sinds C.” uitte ze, waarbij ze het virus onbewust tot een letter reduceerde, zoals mensen vaker doen met een ziekte.

“Corona?” schamperde de man, “Maar daar doet toch niemand meer aan?”

Hij lachte – zij niet. Zelfs de bomen hadden hem meer kunnen vertellen.

Standaard