Onzegbaar

Alleen hij is verslagen die dénkt dat hij het is. Fernando de Rojas

Ik voelde het tot in mijn konen.

“Ik ben boos op haar,” zei ik, waarbij het duidelijk moest zijn dat ik Moeder bedoelde. Zo boos was ik, dat ik haar niet dorst te benoemen. Lief trok mij naar zich toe.

“Herinner haar hoe ze was,” spoorde hij aan. Ik schudde verbeten mijn hoofd. Dat was ik niet van plan.

“Het was zoals Zus zei in haar grafrede: alles was nog niet gezegd. Er moest nog veel meer gezegd worden. En die stilte heeft ze meegenomen in haar graf. Ze had veel meer kunnen zeggen.”

Ik merkte dat ik mijn vuisten balde.

“Ik ben boos op haar,” herhaalde ik. Ik probeerde niet te snikken. Lief zweeg. We dachten samen, dacht ik, aan onuitgesproken woorden.

“Ze heeft niets gezegd,” zei ik. “Ineens is ze weg, zonder wat te zeggen.”

Ik sloot mijn ogen.

“Ik ben zo boos op haar,” zei ik dan.

Standaard

Navelstreng

Het leven is leuk. De dood is vredevol. Het is de overgangsperiode die zo lastig is Isaac Asimov

Ze pakte mijn handen stevig beet.

“Je raakt je navelstreng nooit kwijt,” zei ze, terwijl ze me in de ogen keek.

Het was zes dagen sinds Moeder was uitgedoofd. Er was een uitvaart geweest en een begrafenis en de koffietafel liep af. Het werd tijd voor het afscheid en het medeleven van de genodigden.

Ik keek de vrouw terug aan. Ze bedoelde het goed, zag ik. 

Allicht – een zoon, de meest geliefkoosde vooral, zou nu jammeren moeten en weeklagen. Dat was natuurlijk. Vanzelfsprekend. Wat anders moest ik doen?

Het komt vast nog wel, hield ik me voor, terwijl ik dacht aan de komende feestdagen. De dagelijkse telefoongesprekken en de wekelijkse bezoekjes. Het wegvallen ervan leek helemaal nog niet op een gemis. Eerder alsof met het sluiten van dit ene raam alle andere deuren wagenwijd opengezet waren.

Vriendelijk glimlachte ik naar de vrouw.

“Ik hoop van wel,” fluisterde ik haar toe.

Standaard

Opwaarts

Als het reisdoel te belangrijk is, zie je onderweg niets. Györgyi Konràd

In de lift naar de zesde verdieping werd ik vergezeld door twee verpleegkundigen. Ze wisten me heel bekwaam te negeren. Wat mij betreft was dat prima – ik ging tenslotte naar de zesde verdieping.

Halverwege de reis omhoog stopte de cabine. Iemand had onze komst niet afgewacht, want er stond niemand. Wel liep er een patiënt voorbij, te oordelen aan de pyjama die hij droeg. Hij zei iets tegen de zusters wat ik niet kon verstaan.

De verpleegsters moesten er om lachen. Eentje van hen riep iets terug. Het klonk gevat. De patiënt zwaaide in elk geval grinnikend met zijn hand.

Daarna sloten de deuren weer en gingen we verder omhoog.

We zwegen daarbij.

Ik wilde de twee verpleegkundigen tegen de liftwand aanduwen en eisen te verklappen wat die man zei, daarnet. Maar ik hield me in bedwang, tot aan de zesde.

Ik had er de hele verdere dag spijt van.

Standaard

Hoofdzaak

Zodra de mens iets heeft aangeraakt of door technische middelen in staat is het aan te raken, verliest hij er zijn eerbied voor. Misschien is het daarom dat hij, bij wijze van contrast, de voorstelling nodig heeft van een onbereikbare God die zelfs zijn eigen moeder niet geschonden heeft. Paul de Wispelaere

Ze stelde zich voor als de geriater, het meisje met de hoofddoek. Ze droeg een witte jas, maar was ik haar op de gang tegengekomen had ik haar zeker en vast aangezien voor de een of andere assistent. In mijn concept van een geriater was dit een oudere, witte man met grijs haar – zij was niks hiervan.

Op al haar vragen en informatie reageerde Moeder met: “Ja”, op dit moment zowat het enige woord dat nog ongehinderd haar mond verliet. Ze leek geenszins van haar wijs gebracht door de aard van de arts aan haar bed – hoe anders dan ik, schaamde ik me zowat.

Ik probeerde met alle macht mijn vooringenomenheid te betomen, terwijl ik zag hoe Moeder haar hand op het meisje legde. Mijn verlichting had ik altoos hoger gedacht. Dat was dus een vergissing.

Het buurmeisje kwam binnen. Ze was van de kebab-groothandel.

“Turks meisje,” wees Moeder blij.

Standaard

Wachtruimte


Op zijn best is de zogeheten magisch-realistische roman een onontkoombare manifestatie van verborgen psychische en kosmische lagen, op zijn zwakst is hij een verhaal, waar de schrijver zich alleen met onbetamelijke wendingen uit weet te redden. Wim Zaal

De man aan de infuusstang keek met me mee naar buiten. Het was de zevende verdieping, waar mensen lagen die plotseling moesten worden opgenomen.

“Het is prachtig weer,” zei de man met een knikje naar het uitzicht. Ik dacht aan moeder die nu gewassen werd. Ze was niet voor het eerst gevallen. Zus had haar naar het ziekenhuis gebracht.

“Wilt u koffie?” had de verpleegster gevraagd. “Ik mag het eigenlijk niet geven, maar…” Ze knipoogde. Even later bracht ze een beker. “Zo.” zei ze, voordat ze moeder ging wassen. Zo kwam ik in de wachtruimte de man te spreken. Hij was blij met mijn gezelschap. Ik luisterde half naar zijn verhaal en keek naar de horizon en de parkeergarage ervoor.

De verpleegster wenkte dat ze klaar was en dat ik weer naar moeder kon.

“Ik zal aan u denken wanneer ik straks naar buiten ga,” zei ik tegen de man.

Standaard

Toeristenbelasting

Wie zou niet huilen als zelfs dat wat onsterfelijk heet niet voor de ondergang is gevrijwaard? Johann Wolfgang von Goethe

Amsterdammers zijn dorpelingen die denken dat ze in een stad wonen. Het probleem is dat er toeristen zijn die dat ook geloven.

“Ik ga na de middag niet meer naar de slager of de bakker,” bokte de Mokumse. Ze woonde in een rustige straat van het centrum. “Die lui komen toch voor twaalf uur hun nest niet uit.”

Ze knikte naar de gelovigen, even verderop, die hun kerk verlieten.

“Dat doen ze elke week,” zei ze. “Daar heb je helemaal geen last van. Maar dat vakantievolk neemt de hele stad over. Ik kom overdag mijn huis bijna niet meer uit.”

De kerkgangers verzamelden zich langs de gracht. Een kleine groep bezoekers reed achter hen op huurfietsen over de brug. De vrouw kneep haar lippen samen.

“Kunnen ze niet gewoon om een klein wondertje bidden?” zei ze, “Al was het maar een lekke band.”

Zelf moest ze er erg om lachen.

Standaard

Mens Sana

Tijd overbruggen is eeuwigheid scheppen. Simon Vinkenoog

De man die altijd trappen liep was dood. Iemand had een briefje opgehangen, dat vertelde dat hij negenennegentig was geworden. In het jaar dat de Grote Oorlog eindigde, was hij geboren.

“Hij was een filosoof,” wist het meisje van de bibliotheek. Ze had een boek van hem gelezen.

“Vandaag zullen we het wel niet meer in de collectie hebben,” vermoedde ze. “Hoe heette het ook alweer?”

Ze dacht even na, maar kwam niet op een antwoord.

“Het ging in elk geval over de gevaren van de opkomende islam,” peinsde ze. “Daar wist hij alles van – hij kwam er zelf vandaan.”

We verstilden voor een wijl. Ik vermoedde dat zij, net als ik, in dit moment de mager gespaarde herinneringen aan de ontzielde wijsgeer verzamelde en verkende. Ze zuchtte in elk geval na een poos.

“Er was geen doorkomen aan,” zei ze. “Hij moet wel een heel grote geest geweest zijn.”

Standaard

Godot

Wachten is even staren in de eeuwigheid. Eduard Acda

Ze scheelden meer dan generaties, het meisje en de oude vrouw die afscheid namen.

“Dag oma,” zei het meisje in een knuffel. Aarzelend volgde de vrouw in de omhelzing.

“Dag kind,” zei ze toen ze weer los mocht, “kom je nog eens langs?”

“Ik kom elke dag langs,” zei het meisje. Ze haalde haar fiets van het slot. De vrouw knikte bedenkelijk.

“Ja, natuurlijk,” zei ze. Ze wreef over haar handen. Het meisje stapte op de fiets.

“Dag oma,” zwaaide ze. De vrouw zwaaide terug.

“Dag kind,” zei ze. Het meisje trapte zich weg. De vrouw keek haar na.

“Ik woon hier,” zei ze, “ik woon hier altijd.”

Het meisje hoorde haar al niet meer.

“Ik woon hier altijd,” zei de vrouw nog een keer.

Nadat het meisje de hoek om was geslagen bleef ze nog even staan kijken en wrijven.

“Kom gerust langs,” prevelde ze. “Ik woon hier altijd.” 

Standaard

Splitsing

Het enige wat we uiteindelijk hebben zijn de keuzes die we maken. Naomi Alderman

De jongen aan het raam droeg witte sokken. Ik vertrouwde hem dan ook meteen al niet. Daarbij had hij gaten in zijn jeans en een baseballpet met een te lang lipje aan de achterkant. Kortom: iemand om voor uit te kijken, zeker met dat spitse gezicht van hem.

De man die naast hem zat, had hetzelfde gedacht, als ik de haast waarmee die vertrok toen de trein was gestopt goed duidde.

Hij liet daarbij zijn portefeuille achter op de lege zitting. Ik zag het pas toen de jongen het zag.

De man was de trein al uit en de deuren konden ieder ogenblik sluiten. Zonder een seconde te verliezen greep de jongen de beurs en rende de man achterna.

“Meneer!” hoorde ik hem roepen.

De trein vertrok – zonder de jongen. Die was achtergebleven op het perron, met de portefeuille in de hand.

Zie je wel, dacht ik, niet te vertrouwen.

Standaard

Afgestemd

Het menselijk ras is niets meer dan een virus met schoenen. Bill Hicks

Mijn gezicht sprak geringschatting, mijn woorden zetten het aan.

“Kijk zijn voet – alleen die ene beweegt en doet van hakken-tenen, hakken-tenen. Onderwijl staat de ander stil en beweegt hoegenaamd niet. Zijn knieën zijn gebogen alsof de benen iets van plan zouden zijn. Ondertussen wijst zijn ene hand naar een onbepaald punt in de verte, waar de andere enkel een half gevuld bierflesje houdt. Dit mag toch geen dansen heten?”

Ik zat op een stenen rand langs de muur te kijken naar het centrale plankier waarop een lange lijs probeerde de levende tonen van een tweetal muzikanten al joepend tot een pijnlijk einde te brengen. Lief zat naast mij en hoorde me aan terwijl ik hardop kanttekeningen maakte bij ‘s jongens uithalen.

“Had jij daar soms willen staan?” hoorde ik hem zeggen. Ik wendde mijn hoofd af om het niet verstaan te hebben. Even zei ik niks meer.

“Misschien,” mompelde ik.

Standaard