Afrekenen

De aarde drinkt mijn schaduw. Tomi Ungerer

Het zwijgen was naast hen aan tafel gekomen of liever: tussen hen in gaan zitten. Zo voelde dat tenminste, als de man en de vrouw hun blikken van elkaar hadden afgewend. Of preciezer: zij keek de ruimte in, waar hij zijn ogen op het tafelblad had gericht. Zijn handen omklemden het theeglas.

Zij had haar benen over elkaar geslagen, die nu schuins vanonder de tafel uitkwamen, alsof ze ieder moment kon opstappen. Misschien voelde hij dat ook aan, toen hij, na een diepe, onhoorbare zucht, zijn glas opzij schoof en de handen van de rand liet vallen.

“Ik zal wel afrekenen,” zei hij, zonder werkelijk aanstalten te maken op te staan – een gebaar van uitzichtloze hoop, die gesmoord werd toen zij haar jas aandeed.

“Prima,” zei ze, wat klonk als Eindelijk.

De man keek getroffen, maar ontweek de ogen van de vrouw. Maar die hadden hem toch al niet aangekeken.

Standaard

Gezond


Gezond voedsel maakt mij misselijk. Calvin Trillin

De beide dames konden tweelingen zijn. Hun kapsels waren overeenkomstig doelmatig geknipt en hun dracht leek vooral te zijn uitgezocht op de praktische bruikbaarheid. De sandalen – robuust als vanzelf en schijnbaar onverslijtbaar – complementeerden het, mogelijk wat kleurloos en alledaags te noemen, beeld van de twee.

Die-aan-de-andere-kant-van-de-tafel haalde een papieren boterhamzakje tevoorschijn. 

“Wat heb je daarin?” vroeg Zij-van-deze-kant. De Andere-kant antwoordde niet maar haalde trots glimlachend twee sneetjes bruin brood tevoorschijn.

“Ah,” reageerde Deze-kant met een goedkeurend knikje, “volkoren spelt. Lekker en gezond.” De-andere-kant knikte, terwijl ze de sneetjes uit elkaar haalde.

“Boter?” fronste Deze-kant. “En zoveel ook? O jeetje.”

Daarna nam Zij-van-die-kant twee speculaasjes uit het zakje en legde die op de plakjes brood. Ze glunderde.

“Dat heb ik als kind al zó lekker gevonden,” zei ze. Ze nam een hap. Zij-van-de-andere kant keek misprijzend. Ook Die-kant zag wat aarzelend.

“Met witbrood is het eigenlijk nóg lekkerder,” kauwde ze verder.

Standaard

Sleutel


De opvoeding heeft bittere wortels, maar haar vruchten zijn zoet. Aristoteles

De man van de woningbouwvereniging keek medelevend.

“Dan zal het wel extra moeilijk zijn,” knikte hij.

Ik had hem verteld dat ik geboren was in het pas ontruimde huis. Ik was door de kamers gelopen en de keuken, had gekeken waar ik geslapen had en nog één keer de schuur gezien. Alles was leeg.

De tuin begon al wat te verwoekeren. De rozen langs het prieeltje waren verdord. Gelukkig schijnt de zon, dacht ik toen ik foto’s maakte voor later – wanneer dat ook mocht zijn.

“Ja,” zei ik tegen de man van de woningbouwvereniging. Ik voelde de sleutel in mijn jaszak omkneld door mijn vuist. Het werd tijd.

“Alsjeblieft,” zei ik en legde hem in de uitgestrekte hand van de man. Er was niets wat ik hier nog moest doen.

“Dan ga ik maar,” zei ik.

Ik sloot de deur achter me en wandelde weg – zonder om te durven kijken.

Standaard

Vroeger

Vrijheid is niet kunnen doen waar je zin in hebt, maar kunnen doen waar je zin in ziet. Barbara König

Vroeger en Spijt waren woorden die ik niet aan de jeugd verbond, maar het meisje was wellicht ouder dan het leek.

“De tijd gaat zo snel,” leerde ze me, “dat je pas later leert te genieten.” Haar ogen peilden me op onduidelijke voorwaarden. Pas daarna voltooide ze de korte lezing. “Ik heb spijt dat ik dat vroeger nooit deed.”

Nu was het mijn beurt haar te bekijken.

“Dan hoop ik, dat je dat tenminste hebt geleerd voor nu en de toekomst.”

Ik haatte mezelf wanneer ik zo klonk. Het meisje dacht daar anders over.

Meer genieten?” vroeg ze, als in een openbaring. Ik knikte.

“Zodat je morgen niet weer hetzelfde hoeft te zeggen.” zei ik – ik was toch al bezig en kon net zo goed doorgaan.

“Dat zal niet gebeuren,” somberde het meisje. “Morgen ga ik op vakantie met mijn ouders.”

Ineens klaarde ze op.

“Maar misschien daarna,” hoopte ze.

Standaard

Foetsie

Wie zegt dat ons leven geen tunnel is tussen vage dimensies licht? Pablo Neruda

Op de eettafel lag mijn boek – het zag er nog ongelezen uit. Het was misschien ook niks voor Lenie.

“Zeker te kleine letters,” hielp ik haar.

“Ik heb een leesloep,” hoofdschudde ze, “Met een lampje. Daar kan ik heel goed mee lezen. Maar ik weet niet meer waar die is.” Ze keek peinzend om zich heen. Ik keek met haar mee.

“Twee bijzettafels zijn ook foetsie.” Ze wees naar de bank  “Daar stond dat ronde tafeltje. En die kristallen vaas. Ook foetsie. Net als de asbak. En de bloesjes uit de gang.” Ze keek over haar schouder.

“Op de kast lagen twee dekens, eentje ingepakt,” zei ze, “allebei foetsie.”

Ze ging rechtzitten.

“Mijn moeder zei altijd: ‘Wat je thuis bent verloren, zul je thuis weer terugvinden,” zei ze. Ze legde haar armen op de leuning. Haar blik dwaalde door de kleine kamer.

“Maar intussen is wel alles foetsie,” mompelde ze.

Standaard

Niet meer

Staar je, mijn Ster, naar de sterren omhoog? Was ik maar de hemel om zo, een en al oog, blikken te werpen op jou. Plato

Ik vertelde het meisje van de audicien dat mijn moeder niet meer op de afspraak zou komen. Ze tikte wat in op haar computer.

“O?” verbaasde ze zich, “Er is toch niks mis met haar?”

“Ze is dood,” zei ik. Ik had meteen spijt van mijn lompe directheid – ik had het meisje ook minder rechtstreeks kunnen antwoorden. Mijn zorg leek onterecht: ze tikte nog even door.

“Dood?” herhaalde ze, zonder me op of aan te kijken, “Gunst, wat vervelend.”

Ze zag haar scherm en een boodschap die erop verscheen.

“Zal ik alleen deze afspraak verwijderen, of…?” Ze zag me voor het eerst in mijn ogen en las er het antwoord op de vraag die nog gesteld moest worden. Ze glimlachte erom.

“Ik zal haar maar helemaal verwijderen,” knikte ze vragend. Ik knikte terug.

“Ze komt vast niet meer,” zei ik. Ze giechelde.

“Nee, dat denk ik ook niet,” zei ze.

Standaard

Onzegbaar

Alleen hij is verslagen die dénkt dat hij het is. Fernando de Rojas

Ik voelde het tot in mijn konen.

“Ik ben boos op haar,” zei ik, waarbij het duidelijk moest zijn dat ik Moeder bedoelde. Zo boos was ik, dat ik haar niet dorst te benoemen. Lief trok mij naar zich toe.

“Herinner haar hoe ze was,” spoorde hij aan. Ik schudde verbeten mijn hoofd. Dat was ik niet van plan.

“Het was zoals Zus zei in haar grafrede: alles was nog niet gezegd. Er moest nog veel meer gezegd worden. En die stilte heeft ze meegenomen in haar graf. Ze had veel meer kunnen zeggen.”

Ik merkte dat ik mijn vuisten balde.

“Ik ben boos op haar,” herhaalde ik. Ik probeerde niet te snikken. Lief zweeg. We dachten samen, dacht ik, aan onuitgesproken woorden.

“Ze heeft niets gezegd,” zei ik. “Ineens is ze weg, zonder wat te zeggen.”

Ik sloot mijn ogen.

“Ik ben zo boos op haar,” zei ik dan.

Standaard

Navelstreng

Het leven is leuk. De dood is vredevol. Het is de overgangsperiode die zo lastig is Isaac Asimov

Ze pakte mijn handen stevig beet.

“Je raakt je navelstreng nooit kwijt,” zei ze, terwijl ze me in de ogen keek.

Het was zes dagen sinds Moeder was uitgedoofd. Er was een uitvaart geweest en een begrafenis en de koffietafel liep af. Het werd tijd voor het afscheid en het medeleven van de genodigden.

Ik keek de vrouw terug aan. Ze bedoelde het goed, zag ik. 

Allicht – een zoon, de meest geliefkoosde vooral, zou nu jammeren moeten en weeklagen. Dat was natuurlijk. Vanzelfsprekend. Wat anders moest ik doen?

Het komt vast nog wel, hield ik me voor, terwijl ik dacht aan de komende feestdagen. De dagelijkse telefoongesprekken en de wekelijkse bezoekjes. Het wegvallen ervan leek helemaal nog niet op een gemis. Eerder alsof met het sluiten van dit ene raam alle andere deuren wagenwijd opengezet waren.

Vriendelijk glimlachte ik naar de vrouw.

“Ik hoop van wel,” fluisterde ik haar toe.

Standaard

Opwaarts

Als het reisdoel te belangrijk is, zie je onderweg niets. Györgyi Konràd

In de lift naar de zesde verdieping werd ik vergezeld door twee verpleegkundigen. Ze wisten me heel bekwaam te negeren. Wat mij betreft was dat prima – ik ging tenslotte naar de zesde verdieping.

Halverwege de reis omhoog stopte de cabine. Iemand had onze komst niet afgewacht, want er stond niemand. Wel liep er een patiënt voorbij, te oordelen aan de pyjama die hij droeg. Hij zei iets tegen de zusters wat ik niet kon verstaan.

De verpleegsters moesten er om lachen. Eentje van hen riep iets terug. Het klonk gevat. De patiënt zwaaide in elk geval grinnikend met zijn hand.

Daarna sloten de deuren weer en gingen we verder omhoog.

We zwegen daarbij.

Ik wilde de twee verpleegkundigen tegen de liftwand aanduwen en eisen te verklappen wat die man zei, daarnet. Maar ik hield me in bedwang, tot aan de zesde.

Ik had er de hele verdere dag spijt van.

Standaard

Hoofdzaak

Zodra de mens iets heeft aangeraakt of door technische middelen in staat is het aan te raken, verliest hij er zijn eerbied voor. Misschien is het daarom dat hij, bij wijze van contrast, de voorstelling nodig heeft van een onbereikbare God die zelfs zijn eigen moeder niet geschonden heeft. Paul de Wispelaere

Ze stelde zich voor als de geriater, het meisje met de hoofddoek. Ze droeg een witte jas, maar was ik haar op de gang tegengekomen had ik haar zeker en vast aangezien voor de een of andere assistent. In mijn concept van een geriater was dit een oudere, witte man met grijs haar – zij was niks hiervan.

Op al haar vragen en informatie reageerde Moeder met: “Ja”, op dit moment zowat het enige woord dat nog ongehinderd haar mond verliet. Ze leek geenszins van haar wijs gebracht door de aard van de arts aan haar bed – hoe anders dan ik, schaamde ik me zowat.

Ik probeerde met alle macht mijn vooringenomenheid te betomen, terwijl ik zag hoe Moeder haar hand op het meisje legde. Mijn verlichting had ik altoos hoger gedacht. Dat was dus een vergissing.

Het buurmeisje kwam binnen. Ze was van de kebab-groothandel.

“Turks meisje,” wees Moeder blij.

Standaard