Trap

Foto: Rick Kewal Gademann
Wie zegt dat ons leven geen tunnel is
tussen vage dimensies licht?
Pablo Neruda

Vanwege zijn postuur – of beter: het gebrek daaraan – noemden we hem Plank. Hij liep, met een arm onverklaarbaar gestoken in een lege kartonnen doos, met zijn vriendin door de Watertuin. Zij kreeg, vanwege de dartelheid waarmee ze de stenen trap met twee treden tegelijk beklom, de afschilderende aanduiding Vlinder.

“Kijk daar eens,” riep Vlinder, op het hoogtepunt, “stond dat bankje hier altijd al?”

Ze wees naar een verweerde zitplek enkele passen verderop. Plank antwoordde niet, maar gromde, terwijl hij de laatste opstap nam. Vlinder sloeg er geen acht op, maar huppelde verder naar de brug. Daar liet ze zich over de reling hangen.

“Ach,” riep ze verrukt, “wat is het toch mooi hier!” Plank was nog niet zover, of Vlinder fladderde alweer door. Hij keek vermoeid.

“Kom je?” jubelde Vlinder, “hier is het ook prachtig.” Plank verhief zijn arm in de doos.

“Ik kan toch niet zo snel,” verklaarde hij.

Standaard

Wappies

Foto: Rick Kewal Gademann
Horen we sommigen praten over hun ‘vrijheid’, dan worden we vaak herinnerd aan een vals stoelganggevoel. Julien Vandiest

Er stonden wappies in het park. Ze zeiden het zelf: het stond op hun gele paraplu’s gestift.

Als dat niet was gedaan, had ik het wel kunnen raden. Ik bedoel: een groepje van zo’n man of twintig die zich zonder afstand te houden of mondkapjes te dragen bij elkaar verzamelden – dat kon haast niet anders.

Het aantal aanhangers van een opvatting is niet evenredig met de feitelijkheid ervan, hield ik mezelf voor, terwijl ik niettemin ingenomen was over het geringe aantal betogers dat was komen opdagen.

Ik zag een bekende tussen hen.

Het mocht geen verrassing voor me zijn, want ik kende diens decalage. Toch voelde ik me opgelaten bij de herkenning. Wat als hij mij ook zag?

Ik passeerde de groep zonder om te kijken. In mijn ooghoek zag ik hem opblikken.

Zover is het nu dus al gekomen, kommerde ik, dat ik verloren raak wie ik nooit kende.

Standaard

Woordjes

Als paardenbloemen moeilijk te kweken waren, zouden ze op ieder grasveld welkom zijn. Andrew V. Mason

De orchideeën op haar vensterbank vergden aandacht, begreep ik toen zij, de buur van één hoog, de vitrage opzijschoof om ze toe te spreken.

Ik kon haar niet horen – natuurlijk niet: de afstand en de muren maakten haar onbevattelijk – maar ik verstond haar wel.

Juist wel, meende ik, omdat zij, op sommige dagen behoofddoekt en dan later weer zonder enige haarbedekking, de planten leek te strelen met haar woorden, zoals ik met Nova deed, wanneer ze tegen me aan was gekropen en haar hoofd in mijn nek had verborgen. Ik lispelde dan lieve woordjes, waardoor haar indruk nog steviger werd en ze bijkans versmolt met mij.

Liefde doet groeien, bedacht ik en herstelde me: liefde doet bloeien, moest het zijn.

Ze zag me kijken, de buur van één hoog, en schoof de gordijnen schielijk dicht.

We konden misschien allebei soms iemand behoeven die wat aardigs tegen ons zei, mijmerde ik.

Standaard

Herleving

Foto: Rick Kewal Gademann
De enige manier om dit bestaan dragelijk te maken is leven in een schimmenrijk. F. Springer

Oom en Tante leefden weer.

“Ik heb ze vanmorgen nog gesproken,” vertelde Lenie. Ze had corona overwonnen maar moest na een opname verhuizen naar een verblijf met voortdurende zorg. Ik vreesde voor de weerslag die deze plotselinge verplaatsing voor haar zou kunnen hebben. Het was een onnodige onrust, merkte ik snel. Lenie kennende had ik dat moeten weten.

“Het zijn allemaal heel aardige mensen,” constateerde ze, “en ik heb er genoeg aanspraak aan. Wil je geen koffie?”

Ik had thuis al gehad, zei ik. Lenie keek me bedenkelijk aan.

“En ik moet het mondkapje hier ophouden.”

“Ik heb er ook een,” zei ze. Ze pakte een gloednieuw exemplaar uit haar tas. “Nooit gebruikt,” grinnikte ze. “Hoe moet je die eigenlijk voordoen?”

Dan dacht ze weer aan Oom en Tante. En dat ze ze had gesproken.

“Ze vragen of ik langskom,” zei ze, “maar ik heb geen idee waar ze zijn.”

Standaard

Opschepper

Gods laatste boodschap aan zijn schepping: ‘Onze excuses voor het ongemak.’ Douglas Adams

Ik denk voorbij de wolken, die ik – liggend luizijn – aan de hemel zie razen. Alles beweegt, denk ik, en bestaat.

Ik zie voorbij de wolken en denk groter. Dit heb ik gemaakt, denk ik, ik ben een onderdeel van mijn schepping. Ik ben de kosmos in een splinter.

De gedachte is niet nieuw voor mij en is steevast de basis van een bedrukte bui.

Ik, zowel creatie als creator, heb gefaald. Het had allemaal beter gekund. Waarom liggen? Waarom slapen? Dromen? Denken?

Waarom zijn?

Er zijn geen antwoorden – en misschien moet ik ze geeneens proberen te vinden.

Ik laat de wolken woeden en sta op. Peinzend. Zwaarmoedig. Onvoldaan.

De stofwisseling, denk ik, even later als ik zit, ook zoiets.

Ik had het zoveel beter kunnen doen, vind ik. Leven op zonlicht had massa’s tijd, ruimte en problemen kunnen besparen.

Dan zie ik de lege rol.

Precies dat dus, denk ik.

Standaard

Koekjes

Een heel lekker koekje kan, vóór iemand het proeft, al verknald worden door de verpakking. Chris van den Durpel

Even verderop stond een koekblik.

Ik had het al een tijd zien staan, maar het was me gelukt om het te negeren. Tot dusver. Dat moest ook wel, want ik zat net middenin een vergadering. Een online-vergadering, weliswaar, maar toch. Ik kon moeilijk naar het blik gaan om te zien wat erin zat – laat staan dat ik mijn mond volstak met wat erin zat.

Er was een uitweg – ik had hem al bedacht.

Op het moment dat er iemand wat langer aan het woord was en het leek alsof dat nog wel even zou duren, schakelde ik mijn camera uit. Dat was alles – meer was niet nodig. Ik voelde de tevreden glimlach om mijn mond, toen ik opstond om het deksel op te lichten.

Dan hoorde ik mijn naam met “Ben je er nog?” erachteraan. Rap repte ik me terug naar mijn plek.

“Ja hoor,” reageerde ik met volle mond.

Standaard

Wisselvallig

De meeste vrouwen beminnen uit willekeur en veranderen onder invloed van hun temperament. Marquise de Lambert

Je leert de mensen kennen – dus wist ik zeker dat dit een nieuwe was; een andere immers dan de man die normaalgesproken met haar het balkon op was gegaan. Maar nooit zo innig als nu, dat kon ik je wel vertellen.

Ze rookten allebei en ondertussen legde zij haar hoofd in zijn nek. Ze fluisterde misschien iets, dat kon ik niet vaststellen, maar ik zag hem glimlachen. Zonder dat ik wist of en wat hem was voorgesteld, zag ik al dat hij het een goed idee vond. Ze drukten hun sigaretten uit in de bloempot op de tafel en haastten zich terug naar binnen.

Niet veel later kwam zij weer naar buiten – weer met een sigaret in haar mond. Ze trok er anders, strakker aan dan eerder. Binnen zag ik hem op de bank zitten scrollen door zijn telefoon.

Niets zo veranderlijk als april, dacht ik, kijkend naar de lucht.

Standaard

Omringd

Alleen degene die zijn eigen grenzen kent kan proberen eroverheen te reiken. Paul Scheffer

Het zal de jaartijd geweest zijn.

“De dood omringt ons,” praaide ik immers. Tegen niemand eigenlijk, want ik was alleen. Als kind sprak ik al in mezelf voor de beste toehoorder. Vergeef het me dus.

Ik had evengoed wel een punt: van waar ik zat zag ik de vriezer van Tante, het Indische beeld van Oom en de foto van R. Verder was het servies in de kast van overleden familie en het bestek in de la van weer een andere tante. In de kamer hing de klok van mijn oma en stond de bank van mevrouw B. Geen van hen leefde nog dan door deze relieken.

Maar dan: mocht ik ooit vanhier vertrekken moeten, ik zou de doden laten om de levenden te voeren. Zonder nadenken wist ik mijn essentie.

De vriezer, het beeld en het servies leverden mij bij verkoop nog nauwelijks wat op, had ik al nagezocht.

Standaard

Was

Alleen hij die duizendmaal verdwaalt zal eens thuiskomen. Kahlil Gibran

De rugzak van de jongen voor de deur van het huis trok mijn aandacht – hij was groot, ik bedoel: echt groot. Alsof hij net terug was gekomen van een wereldreis.

“Dat denk ik niet,” zei Lief, “waar kan hij heen zijn gegaan in deze tijd? Het moet de was wezen die hij meebrengt voor zijn moeder.”

De jongen belde aan. We bleven nog even waar we waren, zodat we konden zien dat er niemand opendeed.

“Er doet niemand open,” meldde ik overbodig.

Na een tijdje besloot de jongen dat hij niet zou worden binnengelaten. Omkijkend, aarzelend, wendde hij zich weg en vertrok – zoals men dat doet in een stille, misschien ijdele hoop dat het slot alsnog wordt opengemaakt en iemand komt om hem te begroeten.

Dat gebeurde niet.

“Komt hij thuis na een wereldreis, kan hij niet naar binnen,” betreurde ik.

“De was,” zei Lief, “het was vast de was.”

Standaard

Post-covid

Geluk lijkt een beetje op paaseieren: ernaar zoeken is het leukst. Yvonne Kroonenberg

Of ze even mocht gaan zitten.

Ze was moe – veel te moe voor een meisje van haar leeftijd. Begin twintig, schatte ik haar. Zo zag ze er ook uit. Zo leek ze. Behalve dan dat ze zo moe was.

“Wat is er aan de hand?” vroeg ik toen ze zat. Ze leunde op de tafel.

“Corona,” zei ze. Ik schrok. Er gingen allerlei alarmbellen af. Maar ze schudde haar hoofd.

“Post-covid,” zei ze, “om precies te zijn. Heb je daar wel eens van gehoord?”

Vaag.

“In oktober werd ik ziek,” zei ze, “maar dat was eigenlijk niet zo erg. Alleen het herstel duurde en duurde maar. Het is eigenlijk nog steeds bezig. Ik kan maar een paar meter lopen en dan moet ik even gaan zitten.”

Ze begon langzaam op adem te komen.

“Het is dat een mens moet shoppen,” zei ze, “anders zette ik geen stap buiten de deur.”

Standaard