Vergidsing

Toeristen zijn allemaal dezelfden: ze willen steeds naar plaatsen waar geen toeristen zijn. Joey Adams

Ik was in een stad die niet de mijne was, maar ik wilde niet dat zich dat toonde. In Rome ben ik een Romein, in Berlijn een Berliner en in Amsterdam een vreemdeling.

Ondanks de achteloosheid waarmee ik als een stadter door de straten wandelde, bleef ik vastgenageld staan in het voorbijgaan van een adembenemende doorgang.

Het was een steeg, meldde het naambord. Ik deed alsof ik dat al wist.

De twee achter mij waren minder begaan met wat er van ze werd gedacht. De vrouw las hardop voor uit het toeristengidsje en verpestte daarmee de sfeer van authenticiteit zoals toeristen dat in de regel doen, stelde ik inwendig hoofdschuddend vast.

“Dus,” concludeerde de vrouw en sloot de gids. Samen liepen ze verder.

Even overwoog ik ze te volgen om haar af te luisteren. Maar natuurlijk deed ik dit niet.

Ik heb er tot aan mijn vertrek spijt van gehad.

Standaard

Ontspannen

Alsjeblieft: vraag me niet om te ontspannen. Mijn spanning is het enige dat me bij mekaar houdt. Ashleigh Brilliant

In de buurtsuper stond een lange rij voor de twee kassa’s. De klanten hadden zich keurig aan de regels gehouden: iedereen een mandje, mondkapjes voor en voldoende afstand tot elkaar. De vrouw die aanschoof achter me keek bedenkelijk. Ze had pech: ik was in een lollige stemming.

“Wat een heerlijke manier van onthaasten,” zei ik haar, “rustig wachten op je beurt en nergens aan hoeven denken is zo ontspannend voor de geest.”

Ze leek niet bijzonder onder de indruk van mijn bemoediging. Ze trok in elk geval een wenkbrauw omhoog en een mondhoek omlaag.

Ik draaide me terug naar voren en probeerde dat ook. Dat valt nog niet mee, dacht ik. Ik keek in mijn mandje.

“Shit,” riep ik. Alle hoofden draaiden mijn kant op.

“Ik ben nog wat vergeten,” mompelde ik, terwijl ik uit de rij stapte. De vrouw achter me schoof meteen aan.

“Bof jij even,” gniesde ze.

Standaard

Geknoei

Onze woorden zijn slechts kruimels die neervallen uit het feest van onze geest. Kahlil Gibran

“Vinden jullie dat nou werkelijk mooi?”

Ze liet me foto’s zien uit een kookboek: gebakken aubergines, peulvruchten op een bord, gebak met rijkelijk poedersuiker. Ik kreeg geen kans me af te vragen wie ze met jullie bedoelde.

“Bij ons in Azië vinden we dat vies,” zei ze, “al die rommel op de tafel naast het bord.”

Ik keek nog eens en zag dat ze gelijk had: op elke foto was er wel wat van de ingrediënten gemorst. Er lag een aantal erwtjes naast of wat kappertjes of de poederbus was uitgeschoten.

“Verdraaid,” zei ik, “nou je het zegt. Dat was me eigenlijk geeneens zo opgevallen.”

Het gaf iets rustieks, vond ik, alsof de lezer getuige was van het kookproces.

“Ik vind het eigenlijk wel iets hebben,” erkende ik. Ze keek me een tijdje speurend aan.

“Oké,” knikte ze bedaagd.

Ik was beslist het onderwerp van een sociologisch onderzoek, begreep ik.

Standaard

Ook niet

Het komt er niet op aan wat je doet in de slaapkamer, zolang je dat maar niet doet op straat en de paarden schichtig maakt. Mrs. Patrick Campbell

Een man volgde een jonge vrouw omdat hij zeker wist perfect te zijn voor haar. Hij stal haar telefoon, hackte haar accounts en luisterde de gesprekken af die ze had met haar vriendinnen om alles van haar te weten te komen. En passant ruimde hij ook nog haar ex op, die hij – om een lang verhaal kort te maken – in de bossen verbrandde.

We keken aflevering na aflevering, Lief en ik – want dit was niet echt, natuurlijk; dit was een televisieserie.

“Heb jij dat eigenlijk ook gedaan?” vroeg Lief – veel later, toen de nacht was gekomen en in bed de getemde gedachtes waren ontketend. Hij zei het zacht, bedachtzaam, alsof het even had geduurd voordat hij de juiste toon had gevonden en de geschikte zin geconstrueerd.

“Wat?” vroeg ik farizees.

We wogen allebei de volgende stilte. Elk woord kon er nu een teveel zijn.

“Ik ook niet,” zei Lief tenslotte.

Standaard

Potje

Mannen zijn als groente: hoe uitgekookter hoe minder verteerbaar. Beate Hasenau

“Gooit u er nou glas in?”

Ik had me nog zo voorgenomen me nergens meer mee te bemoeien, maar toen ik langs de gft-container liep en een klinkend geluid hoorde, draaide ik me toch naar de man die hem had geopend. Het was misschien pure nieuwsgierigheid en niet meer. Dat ter verdediging.

“Een groentenpotje,” bevestigde hij, “rode kool.”

“Maar dit is een gft-bak,” zei ik, “daar moet dat niet in.”

“Ik begrijp u,” zei de man, “maar dit was een groentenpotje. Er zat rode kool in.”

Ik moet hem verbijsterd hebben aangekeken. Minzaam besloot hij me te onderwijzen.

Groenten-potje,” herhaalde hij behulpzaam, “rode kool.”

Hij glimlachte.

“Veel mensen denken dat,” zei hij, “dat rode kool geen groente is, omdat het rood is. Maar dat is het wel. Rode kool is gewoon groente en een leeg rodekoolpotje moet dus ook gewoon bij het gft.”

Hij glimlachte.

“Simpelweg algemene kennis, meneer.”

Standaard

Oordeel

Ook de wetenschappen kennen hun fatale zuilen, namelijk wanneer mensen niet langer de prikkel voelen, uit verlangen of hoop dieper door te dringen. Francis Bacon

Zegepralend stak ze haar vuisten in de lucht toen ze me zag.

“Heb je het gehoord?” jubelde ze, “De avondklok is verboden.”

Ik had het gehoord. Ik geloof dat iedereen op het werk wel een verwittiging van het nieuws op de telefoon had gekregen.

“Het is maar goed ook,” zei ze, terwijl ik de koffie voor haar neerzette.

“Alsjeblieft,” zei ik. Ze bedankte.

“Ik ga best mee met alle maatregelen,” zei ze, “maar die avondklok was echt een onnodige beperking van onze vrijheid. Wat jij?”

Zoals gebruikelijk had ik geen uitgesproken mening. Ik begreep zowel de ene kant als de andere. Problemen zijn tenslotte niet altijd binair.

“Wat ga jij nu doen, vanavond?” vroeg ik maar, “lekker laat wandelen?”

Ze schudde de zoetjes en de melk in de koffie.

“Ik kijk wel uit,” zei ze, al roerend, “mij zien ze niet op straat als het donker is. Veel te gevaarlijk.”

Standaard

Haar van Twee

Tegenspoed komt zelden te laat en altijd te vroeg. Jan Boschmans

We kwamen Haar van Twee tegen.

Ik herkende haar niet – Lief wel: terwijl ik haar elke dag begluurde. Nou ja, verkende. Dat klinkt minder sociaal ongewenst.

Ze kwam aangelopen met een rolkoffer door de sneeuw en zij begroette ons.

“Jullie wonen toch tegenover mij?” wist ze, “Ik zie jullie zowat elke dag.”

Ze vertelde dat ze een weekeinde was weggeweest (“Niet ver hoor, alleen maar naar de Bult”) en dat ze blij was dat ze weer zowat thuis was.

“Daar is het toch het fijnst.”

Het werd tijd om ons voor te stellen en ook zij noemde haar naam. Ik wist meteen dat dit het einde is. Ik vertelde het Lief ook, toen we afscheid hadden genomen.

“Hoe dat zo?” vroeg hij.

“Nu ik weet wie ze is en hoe ze heet, kan ik haar nooit meer observeren zoals ik heb gedaan,” klaagde ik.

“Begluren,” corrigeerde Lief.

“Oké,” zei ik.

Standaard

Ommegang

Foto: Rick Kewal Gademann
Geluk is de verleden tijd herlevend door de dromen in een onhoorbare branding van beelden. Lucebert

Het gezin zat aan tafel – het was rond etenstijd. Ik vertraagde mijn ommegang.

De hoofden van de aangezetenen – met zijn hoevelen waren ze? Ik schat een half dozijn – waren gebogen en de ogen leken gesloten. De handen rustten gevouwen tegen de tafelrand.

Men bad.

Begrijp me goed: ik had het eerder gezien en, sterker nog, herinnerde me hetzelfde uit mijn jeugd – maar dat was het ook in mijn wereld: een archaïsch iets, uit de tijd wellicht, maar blijkbaar toch nog volledig animato.

Ik voelde me getuige van een verloren verleden, beschaamd bijna dat ik dit schaamteloos bekeek. Maar omdat ze niemand zagen, bleef ik nog even dralen voor ik verderging.

Bij het huis ernaast woonden Brabanders, zag ik. Ze hadden een carnavalsvlag opgestoken voor het raam.

We zijn allemaal naar iets op zoek, kon ik niet nalaten te denken, voordat ik begreep dat ik het over mezelf had.

Standaard

Sneeuwpop

Foto: Rick Kewal Gademann
Altijd de tijd waarin je leeft afbreken, dat is een bewijs van vitaliteit. Hilaire Belloc

Hij gromde of maakte tenminste een geluid dat daarop leek.

“Overal zie ik ze genieten van de sneeuw,” zei hij, op een toon waarop ik me afvroeg of hij daar wel zo blij mee was. “Ze rijden op sleetjes en schaatsen op de bevroren plassen, maar weet je wat ik mis?”

Ik wist het niet.

“Sneeuwpoppen,” zei hij, “ik zie nergens meer sneeuwpoppen. Ik heb de vaders iglo’s zien bouwen, met emmers aangedrukte sneeuw – alsof die kinderen dat zelf niet kunnen doen, trouwens, hè, alsof ze bang zijn dat die koters hun handjes bevriezen, ofzo – iglo’s dus en sneeuwballen gooien, waarvan ik me nu begin af te vragen of die ouders ze ook alvast kant en klaar hebben ingekocht – zou zomaar kunnen, denk ik – maar sneeuwpoppen? Nergens.”

Hij liet de opgebouwde stoom door zijn getuite lippen ontsnappen.

“Een toekomst zonder sneeuwpoppen,” misnoegde hij, “daar moet je toch niet aan denken.”

Standaard

Kaarsjes

Af een toe moet je eens een kaarsje branden voor de duivel. César Oudin

Ik ben goed in zwelging, behalve wanneer er echt iets aan de hand is.

Op de eerste dag van Snowmageddon begaf de cv-ketel het. Daarna bleef het water in de gootsteen staan en tenslotte viel de stroom uit.

“We hebben kaarsjes,” zei Lief, “en elkaar.”

Ik kan jaloers geraken op zijn laissez-faire, waar ik bij een lege batterij al de neiging heb te lamenteren dat alles ijdel is en dan vooral mijn leven.

“Wat kijk je bedrukt,” constateerde I. later. Ik verhaalde van de helledagen.

“Is het nog steeds niet gerepareerd?” vroeg ze geschrokken.

Ik reageerde apathisch.

“Jawel,” antwoordde ik.

“Nou dan,” zei I. Ze begreep het duidelijk niet.

“Snap je het echt niet?” vroeg ik. “Het is toch evident?”

Niet voor haar.

Ik zuchtte.

“Dit is pas het begin,” zei ik, “dat moet wel.”

I. knikte.

“O gelukkig,” zei ze, “ik dacht even dat er werkelijk iets loos was.”

Standaard