Leugen

Het leven is verrukkelijk, maar men moet er het einde van kunnen zien. Hugo Claus

Zomaar ineens kwam mijn moeder bij mij op de bank zitten. Ze legde haar hoofd op mijn schoot. “Mag wel even, hè?” zei ze. Ik vergat dat ze al begraven was.

Ik streelde haar door de haren. Ze waren nog net zo sluik en grijs als ik me herinnerde. Ze sloot haar ogen.

“Ik weet wel dat ze niet allemaal zo aardig zijn voor jou,” zei ze.

“Maar het komt allemaal wel goed, toch?” zei ik. Ik hoorde mijn eigen hoop.

“Hoe moet ik dat weten,” zei mijn moeder, “ik ben dood, niet helderziend.” Ze moest gniffelen. “Vroeger, als je naar de tandarts ging, wilde je ook al dat ik zei dat alles goed kwam.”

“En dat was dan ook zo,” herinnerde ik me. Mijn moeder sperde haar ogen open en keek me aan.

“Ik loog,” zei ze. Daarna sloot ze ze weer.

“Maar het werkte blijkbaar wel,” monkelde ze.

Standaard

Tim

Herinneringen en wolken veranderen vlug van vorm. Jacques Deval

“Nee, dit is Tim,” zei de jongen in zijn telefoon. Zijn vriendin, die naast hem liep, keek hem aan. Haar ogen vroegen uitleg, die ze niet kreeg – althans, nog niet. De jongen was te druk met luisteren.

“Je spreekt met Tim,” zei hij nog maar eens. Zijn blik kruiste die van zijn geliefde, maar keerde snel terug naar voren. Daarbij haalde hij zijn schouders op. Het meisje vertrok haar wenkbrauwen, maar zei geen woord. Haar lippen leken het daar moeilijk mee te hebben.

“Nee, ik ben echt Tim,” zei de jongen, nu wat fermer. Het was blijkbaar afdoende, want het gesprek werd beëindigd. Zonder enige groet stak hij de telefoon in zijn zak. Hij keek zijn liefje aan.

“Wat?” zei hij.

“Je bent Tim helemaal niet,” reageerde het meisje.

De twee liepen nog even verder om de gedachten samen te voegen.

“Ik had Tim best kunnen zijn,” mompelde de jongen.

Standaard

Glasvezel

Als je naam wilt maken, doe dan één ding uitstekend. Saunders Norvell

Er kwamen kabels uit de grond. Ik had Poolse mannen – ik ging er tenminste van uit dat ze daar vandaan kwamen – de laatste dagen sleuven zien graven om diezelfde oranje draden onder de aarde te leggen tot er nog maar een klein eindje uitstak. Het waren er wel veel, van die korte eindjes, dus het viel in zekere zin wel op, wanneer je door de straat ging.

Een man had het ook gezien. Hij kwam achter me aan, toen ik de buurtsuper uitliep. Ik had niet zo’n zin in zijn gezelschap, want hij was best vervelend wanneer hij gedronken had.

Nu leek hij nuchter.

Hij wees naar zo’n oranje eindje.

“Heb ik gelegd,” zei hij. Ik wist dat het niet waar was.

“Zo,” zei ik, terwijl ik doorliep, “dat is knap.”

Hij wandelde mee.

“Is voor internet,” wist hij. “Heel speciaal.” Hij keek naar de kleur.

“Voor koningin,” zei hij.

Standaard

Tour de chant

Sneeuw in de zomer, als je dorstig bent
Na de winter de eerste krokus
Maar het allerzachtst is de donzen deken
die ons dekt. Asklepiades

Stiekem was ik jaloers. Niet op de man die het vertelde, niet op de zoen, niet op de vrouw die hij had gekust. Als ik afgunstig was geweest had ik in zijn schoenen willen zijn, of in de hare of had ik de handeling willen wezen die de beiden – voor de duur ervan, althans – tot een eenheid had gemaakt.

Het was het verhaal dat ik benijdde. Hoe hij, de man, als jongeling, had gevreeën met de jonge vrouw, die in hun dagen een gevierd zangeres was wier greinen faam sneller verging dan de plastieken roem van menig ander die hierdoor onvergetelijk leek te zijn.

Ik kende haar evenmin, ook voor mij was haar naam beneveld, maar toen ik haar opzocht, zoals dat gaat, vandaag de dag, was ik verstomd door haar schoonheid. Wie zo oogt moet welhaast fantastisch tonen.

Wat kon ik anders doen dan zwijgen en mijn ijverzucht vormen?

Standaard

Solo

Je moet elke dag dronken zijn. Het maakt niet uit of het van de wijn, de liefde of de kunst is. Charles Baudelaire

“Niet kijken!” waarschuwde ik, maar ze had haar hoofd al gedraaid.

“Bedoel je hem?” vroeg ze, teruggekeerd. Ik knikte.

“Hij zit daar nu al een eeuwigheid met een glas rode wijn en een bakje frieten. O wacht, daar komt de tweede.” De serveerster bracht de man een nieuw glas.

“Hij is alleen,” veronderstelde mijn tafelgenote.

“En eenzaam,” bejade ik het vermoeden. “Eenzaam aan een tafeltje met enkel de wijn en een portie patatten. Zo sneu.”

“Praat hij ook nog met iemand?” wilde de tafelgenote weten. Ik schudde mijn hoofd.

“Niemand,” verklaarde ik, “maar hij heeft nu wel zijn telefoon gepakt.”

“Misschien kent hij dan toch mensen,” bedacht de tafelgenote. Ik keek bedenkelijk.

“Maar hier is hij omringd door niemand,” zei ik, “hier is hij alleen. Tussen allen en zonder iemand.”

De tafelgenote zuchtte.

“Echt een schrijver,” vond ze, “je maakt er zoiets romantisch van.”

Ik glimlachte.

“Ach ja,” zei ik.

Standaard

Kapoet

Wat zo knap is aan het Internet is dat het zich niet aan de regels houdt. Richard Curtis

Ze waren met zijn tweeën, maar die ene, de linker, die had het voor het zeggen. Dat merkte ik al toen ik vroeg of het klopte dat er geen internet meer was. Ze hadden, met een aantal kompanen, al een tijd sleuven gegraven in de stoep voor ons huis. De rechter aarzelde en keek de linker aan. Die knikte resoluut.

“Dat kloept,” zei hij en wees naar een onbestemd punt achter hem, “die lain is kapoet. KaPieEn komt eraan.” Daarna knikten de beide mannen geruststellend, wat niet hoefde, want ik wist dat onze wereld stilstaat wanneer er geen webtoegang meer is, zodat de reparatie ervan voorzeker nog sneller zou komen dan het luchtalarm bij een nucleaire aanval.

“De lijn is kapot,” zei ik, terug in huis. “Voorlopig hebben we geen internet. Wat moeten we nu?”

Lief keek me aan. Zijn ogen begonnen te twinkelen.

“Ik weet wel wat,” zei hij.

Standaard

Absolve

De mens heeft zijn fantasie om hem voor te bereiden op de werkelijkheid. C. Buddingh’

Ik zag haar in de keuken staan en dacht: Je bent dood. Maar dat was ze niet. Ze stond achter het fornuis en het aanrecht en sneed speklappen. Ze zag me.

“Kun je me even helpen?” vroeg ze. Ze klonk gehaast, of beter: verstoord. Ik was te laat.

“Wat kan ik doen?” vroeg ik. Ze wees naar een grote pan in de gootsteen.

“Die mag je afgieten,” zei ze, “en daarna stampen. Eerst met de schuimspaan door elkaar roeren…”

“…En dan stampen,” vulde ik aan, “ik weet het. Ik heb het al zo vaak gedaan.”

“Met jou weet je het nooit,” reageerde ze, half honend, half hartelijk.

Ik goot de pan af. Dampende stoom sloeg in mijn gezicht en wekte me.

Ze leeft, dacht ik, alsof ik niet ontwaakte uit een droom. Voor even dacht ik dat ze er nog was.

Daarna viel ik onpeilbaar diep terug in de werkelijkheid.

Standaard

Acculturatie

Lieve kinderen zijn net zonsondergangen. We beschouwen ze als iets vanzelfsprekends. Elke avond verdwijnen ze. De meeste ouders staan er nooit bij stil hoe ze hun best doen het ons naar de zin te maken, en hoe beroerd ze het vinden als ze denken dat ze dat niet gelukt is. Erma Bombeck

Om onduidelijke redenen had de jongen mij tot zijn gezelschap gemaakt, maar leek niet van plan aan zijn besluit een conversatie te verbinden, met als gevolg dat ik me enigszins opgelaten voelde en hem vooral probeerde te negeren zodat ik niet de verdenking van een oude viezerik op me kreeg. Op een gegeven moment speelden de zenuwen me parten en wendde ik me tot de knaap.

“Hoi,” zei ik zonder enig draaiboek. De jongen keek op.

“O, hoi,” zei hij terug, “u hoeft niet op mij te letten, hoor.”

“O,” zei ik. We waren even stil, maar het zinde me niet echt. De jongen moest dat hebben aangevoeld, want hij hernam zich.

“Mijn moeder is aan het bellen,” zei hij en knikte naar een vrouw even verderop, “en dat kan nog wel even duren.”

“Aha,” knikte ik. De jongen knikte terug.

“Ik wacht tot haar batterij leeg is,” zei hij.

Standaard

Voldoende

Leef zo dat je je dagboek niet hoeft te verstoppen. Robert Orben

De consequentie van jarenlange ervaring is, dat je uiteindelijk achter een bureau wordt gezet. Dat was ook hem overkomen, maar het leek hem vooreerst niet te grieven.

“Ik wil alles eens een keertje meemaken,” reageerde hij tamelijk lauw. Ik knikte met hem mee, maar had mijn twijfels. Ik herinnerde me een beroepskeuzetest.

“Wat voor cijfer geef je je werk?” vroeg ik.

“Een zes.” zei hij zonder een moment twijfel.

“Een zes?” herhaalde ik, “Had je niet liever een zeven willen hebben? Of een acht?” Ik dorst het niet over een negen of zelfs maar een tien te beginnen.

Hij schudde zijn hoofd.

“Dat heb ik al gehad,” zei hij, “vroeger.”

Dan pauzeerde hij even. Mijn vraag leek hem tot overwegingen te brengen die hij misschien nog niet eerder had gemaakt. Uiteindelijk zuchtte hij.

“En een zes is toch voldoende?” vroeg hij.

“Natuurlijk,” antwoordde ik, terwijl ik zag hoe hij wegkeek.

Standaard

Doorzichtig

Ook door de volwassenheid heen stroomt de rivier van mijn jeugd. Frans Depeuter

“Geef mij eens zo’n tasje,” wees de moeder naar haar zoon. Die twijfelde voordat hij onder de kassa greep.

“Weet je het zeker?” zei hij. Hij wees naar de boodschappen op de lopende band. “We hebben alleen maar chips en chocolade.”

De moeder verblikte zoals iemand kijkt die de woorden hoort die ze met alle macht had willen mijden. Haar lippen verstrakten en haar ogen vernauwden enigszins, maar voldoende om de boodschap te herkennen wanneer ze gezien zou zijn. De zoon bleek geen goede ontvanger.

“Het kan toch hierbij?” zei hij, terwijl hij een plastic tas omhoog hield. Hij was doorzichtig, waardoor je kon zien dat hij een verpakking tofoe omvatte.

“Die is vol,” snerpte ze, “geef me nou maar zo’n tasje.” Ze wees dwingend. De jongen gehoorzaamde onwillig.

“Wat een onzin,” weerstreefde hij bij het toereiken van de tas. Zijn moeder greep hem aan.

“Die is vol,” hamerde ze.

Standaard