Code Oranje

Vermijd de massa. Denk onafhankelijk. Wees een schaakspeler, geen schaakstuk. Ralph Charell

De man met de snor stopte zijn fiets. Nou gingen we een goed gesprek krijgen. Hij lachte zo aardig – hij lacht altoos aardig. Hij leek me een heel vriendelijke man – ik wilde dat ik hem kon verstaan.

Als hij praatte, hoorde ik alle talen door elkaar. Zo af en toe kwamen er woorden die ik begreep. Zo was er iets met parlement. Het zouden de verkiezingen kunnen zijn.

“Groen?” vroeg hij, wijzend naar mij. Dat wist ik. “Oranje?” Bij dat laatste woord fronste hij. Oranje was niet goed, begreep ik.

“Groen.” beaamde ik dan maar. Een veilige keuze, hoopte ik. Wie valt er nu over groen?

“Groen?” vroeg hij nog maar eens.

“Groen.” zei ik, nu wat zekerder van mezelf.

De man met de snor stak zijn duim omhoog. Daarna stapte hij weer terug op de fiets.

“Groen goed,” zei hij. Hij zwaaide.

Ik zwaaide ook. “Groen goed,” herhaalde ik.

Standaard

Staven

Leven is hopen dat het landschap achter de volgende bocht het mooiste zal zijn. Fernand Lambrecht

In die tijd leek de eenentwintigste eeuw nog toekomst, had ik gedacht bij het zien van de video die Lenie voor me had opgezet. Het was een feest – “in de kegelbaan,” wist Lenie te vertellen – met mannen en vrouwen aan lange tafels. Ze kregen koffie en gebak.

“Ze zijn allemaal dood,” stelde Lenie vast, zoals zij alleen dat kan: met een mengeling van weemoed en berusting. “Het is zoals het is,” zei ze dan, “en niet anders.”

Op weg terug, naar het station, liep ik een man tegemoet – een oud mannetje, is wat ik dacht, als ik eerlijk ben, zoals hij zich voortbewoog, steunend op een stok. Toen we elkaar kruisten, knikten we en schrokken allebei van herkenning.

We hadden met elkaar dezelfde school bezocht. Hij was van mijn leeftijd – of ik van de zijne.

Ze zijn nog niet allemaal dood, dacht ik, maar het begint er aan te komen.

Standaard

Voorspel

Er is een ver reikende blik voor nodig om het voor de hand liggende te zien. Cor Gilhuis

Om redenen die alleen hij wist, verkoos hij zich strak langs de muren te bewegen en de loop van het afgesleten gaanpad te mijden. Misschien omdat er al zovelen de middenweg begingen – wie zal het zeggen?

Ik leek de enige die hem opmerkte en hij, op zijn beurt, leek mij niet te bekennen, terwijl hij bijkans sleep langs de wand.

Hij moest ergens heen, dacht ik, en daarom bleef ik hem volgen. Mijn veronderstelde gêne bleef wonderwel weg. Of dat een zorgelijke constatering was, zou ik later wel bezien.

Even verderop belandde de man bij een portiek, waar hij, nadat hij om zich heen had gekeken, voorzichtig indraaide en aanbelde. Een vrouw deed open – een vrouw in negligé. Zij keek over de schouder van de man de straat in en trok hem toen naar binnen.

Hier ontstaat een boek, dacht ik, opgetogen dat ik de eerste bladzijde had mogen lezen.

Standaard

Nakomen

Knellende banden laten niets te wensen over. Gerda I.M. Spronck

“Waar zijn jullie?” Hij liet zijn wenkbrauwen springen. “Ik dacht dat wij hier…” De zin bleef onvoltooid. “Laat ook maar,” zei hij, “kan gebeuren.”

Hij, meer jongen dan man, nam een slok van zijn bier.

“Als ik nu de bus neem naar huis, kan ik daar mijn auto pakken en dan ben ik rond half twee bij jullie.”

De telefoon sprak kennelijk bezwaren.

“Nee, geen probleem. Of meuren jullie dan soms al?” hoonde hij voortijdig dat argument al weg.

Er was nog meer tegenin te brengen.

“Nee, nee,” beweerde hij, “er zijn daar nooit controles en zo wel, dan pakken ze me toch niet.”

Het was even stil aan gene zijde. Hij dronk zijn bier leeg en wilde zijn jas aantrekken.

“Tenzij jullie zeggen dat je liever niet hebt…” legde hij zijn hoofd op het hakblok. Hij ging subiet zitten, met een hand nog aan zijn kraag.

“O.” zei hij.

Standaard

Ennui

Hoe kan iemand de tijd vullen met noten die de voorafgaande stilte waardig zijn? Arvo Pärt

De dichter dreef mij met zijn ontzielde voordracht bijkans in de klauwen van Belphegor. Mijn blik driftte door de vensters van de gehoorzaal naar de omgang.

Een man duwde er een oudere vrouw, in haar rolstoel, naar het invalidentoilet. Na korte tijd kwam hij alleen naar buiten.

Hij nam plaats op een stoel, met zijn blik gericht op de deur van de wc. Ik beidde met hem. Behalve dat er andere mensen aan- en afliepen, gebeurde er niets. De man zat er slechts en ik keek toe hoe hij wachtte.

Na enkele minuten stond de man op en liep hij terug het toilet in, om, even daarna, met de vrouw opnieuw de passage op te komen. Ze corrigeerde haar kleding wat en reed, door de man achter haar geloodst, mijn wereld uit. Ineens was ik weer in de ruimte waar ik daarvoor was.

De dichter was nog steeds niet gedaan.

Standaard

Negentig

Wie jong is leeft een leven waarin de dood geen vaste stoel aan tafel heeft. Sterven overkomt anderen. Simon Carmiggelt

“Hoe oud ben jij, mijn kind?” vroeg de vrouw. Ze zag eruit als een Engelse kinderjuf, inclusief een zweertje bij haar mondhoek, dat ze af en toe bevochtigde met haar tong. Het aangesproken meisje zag dat ook en durfde geen kant op.

“Tien,” staarde ze wankelmoedig naar de pok. De vrouw glimlachte en likte nog eens. Het kind probeerde niet te huiveren.

“Tien,” proefde de vrouw, “mijn vader is negentig. Weet je hoeveel dat is, negentig? Dat is bijna tien keer tien.”

Het meisje boog stilletjes haar hoofd.

“Goed zo,” zei de vrouw. Ze leek zich wat te bedenken, terwijl haar ogen even afdwaalden. Dan hernam ze zich.

“Maar jij bent nog lang niet zo oud,” zei ze. “Jij vergeet natuurlijk nooit iets en eet zelf je pap en kunt vast ook je plas ophouden zonder luier. Ja toch?”

“Ja mevrouw,” klonk het zacht.

“Goed zo,” likte de vrouw waarderend.

Standaard

Leugen

Het leven is verrukkelijk, maar men moet er het einde van kunnen zien. Hugo Claus

Zomaar ineens kwam mijn moeder bij mij op de bank zitten. Ze legde haar hoofd op mijn schoot. “Mag wel even, hè?” zei ze. Ik vergat dat ze al begraven was.

Ik streelde haar door de haren. Ze waren nog net zo sluik en grijs als ik me herinnerde. Ze sloot haar ogen.

“Ik weet wel dat ze niet allemaal zo aardig zijn voor jou,” zei ze.

“Maar het komt allemaal wel goed, toch?” zei ik. Ik hoorde mijn eigen hoop.

“Hoe moet ik dat weten,” zei mijn moeder, “ik ben dood, niet helderziend.” Ze moest gniffelen. “Vroeger, als je naar de tandarts ging, wilde je ook al dat ik zei dat alles goed kwam.”

“En dat was dan ook zo,” herinnerde ik me. Mijn moeder sperde haar ogen open en keek me aan.

“Ik loog,” zei ze. Daarna sloot ze ze weer.

“Maar het werkte blijkbaar wel,” monkelde ze.

Standaard

Tim

Herinneringen en wolken veranderen vlug van vorm. Jacques Deval

“Nee, dit is Tim,” zei de jongen in zijn telefoon. Zijn vriendin, die naast hem liep, keek hem aan. Haar ogen vroegen uitleg, die ze niet kreeg – althans, nog niet. De jongen was te druk met luisteren.

“Je spreekt met Tim,” zei hij nog maar eens. Zijn blik kruiste die van zijn geliefde, maar keerde snel terug naar voren. Daarbij haalde hij zijn schouders op. Het meisje vertrok haar wenkbrauwen, maar zei geen woord. Haar lippen leken het daar moeilijk mee te hebben.

“Nee, ik ben echt Tim,” zei de jongen, nu wat fermer. Het was blijkbaar afdoende, want het gesprek werd beëindigd. Zonder enige groet stak hij de telefoon in zijn zak. Hij keek zijn liefje aan.

“Wat?” zei hij.

“Je bent Tim helemaal niet,” reageerde het meisje.

De twee liepen nog even verder om de gedachten samen te voegen.

“Ik had Tim best kunnen zijn,” mompelde de jongen.

Standaard

Glasvezel

Als je naam wilt maken, doe dan één ding uitstekend. Saunders Norvell

Er kwamen kabels uit de grond. Ik had Poolse mannen – ik ging er tenminste van uit dat ze daar vandaan kwamen – de laatste dagen sleuven zien graven om diezelfde oranje draden onder de aarde te leggen tot er nog maar een klein eindje uitstak. Het waren er wel veel, van die korte eindjes, dus het viel in zekere zin wel op, wanneer je door de straat ging.

Een man had het ook gezien. Hij kwam achter me aan, toen ik de buurtsuper uitliep. Ik had niet zo’n zin in zijn gezelschap, want hij was best vervelend wanneer hij gedronken had.

Nu leek hij nuchter.

Hij wees naar zo’n oranje eindje.

“Heb ik gelegd,” zei hij. Ik wist dat het niet waar was.

“Zo,” zei ik, terwijl ik doorliep, “dat is knap.”

Hij wandelde mee.

“Is voor internet,” wist hij. “Heel speciaal.” Hij keek naar de kleur.

“Voor koningin,” zei hij.

Standaard

Tour de chant

Sneeuw in de zomer, als je dorstig bent
Na de winter de eerste krokus
Maar het allerzachtst is de donzen deken
die ons dekt. Asklepiades

Stiekem was ik jaloers. Niet op de man die het vertelde, niet op de zoen, niet op de vrouw die hij had gekust. Als ik afgunstig was geweest had ik in zijn schoenen willen zijn, of in de hare of had ik de handeling willen wezen die de beiden – voor de duur ervan, althans – tot een eenheid had gemaakt.

Het was het verhaal dat ik benijdde. Hoe hij, de man, als jongeling, had gevreeën met de jonge vrouw, die in hun dagen een gevierd zangeres was wier greinen faam sneller verging dan de plastieken roem van menig ander die hierdoor onvergetelijk leek te zijn.

Ik kende haar evenmin, ook voor mij was haar naam beneveld, maar toen ik haar opzocht, zoals dat gaat, vandaag de dag, was ik verstomd door haar schoonheid. Wie zo oogt moet welhaast fantastisch tonen.

Wat kon ik anders doen dan zwijgen en mijn ijverzucht vormen?

Standaard